Huwelijkswet: De juiste basis voor het huwelijk is een wederzijds misverstand.
Nieuwe maan

Volgende volle maan:
4 juni - 23u49

Wicca

De Wicca of moderne hekserij zoals we die in de jaren '90 kennen, is een natuurreligie die zich baseert op prechristelijke Europese religies. In kleine groepjes van maximum dertien vrouwen en mannen beleven de heksen het mysterie van de natuur. De meeste heksen zijn pantheïsten, animisten of polytheïsten. Ze ervaren de natuur als bezield, geschapen uit één goddelijke bron. Het goddelijke in de natuur kan volgens de heksen enkel beleefd worden in de verering van een duaal godsbeeld: een God en een Godin. Daarin is de Wicca vrij uniek. Alhoewel andere 'nieuwe' religies, zoals het druïdisme of het sjamanisme ook het vrouwelijke aspect erkennen als goddelijk, is de Wicca zeer expliciet in haar duaal godsbeeld. Het mysterie van de natuur kan volgens heksen enkel vertaald worden in het spel tussen deze twee polen.

De Wicca is een religie zonder centrale autoriteit of liturgie. Er is dus geen hiërarchische structuur van priesters, bisschoppen, kardinalen en pausen die de touwtjes in handen hebben en geen verplichte liturgie die gevolgd moet worden. Elk coven is autonoom en gebruikt haar eigen rituelen. De rituelen en teksten worden opgeschreven in een Boek der Schaduwen, wat het persoonlijke handboek van elke heks is.

De namen van de God en de Godin, of van goden en godinnen die aspecten ervan vertegenwoordigen, kunnen sterk verschillen van coven tot coven. Nagenoeg alle Wiccatradities zijn initiatiek, wat betekent dat toetreding tot een coven enkel kan gebeuren via een inwijding.

De verschillende heksentradities hebben in de loop der decennia sterke evoluties doorgemaakt en hebben ook elementen uit andere religies en gebruiken overgenomen, gaande van lokale Westerse volksgebruiken, sjamanisme; Oosterse, indiaanse en aboriginal tradities, klassieke mythologieën en ceremoniële magie.

Wicca is voor het grootste gedeelte een religieuze beleving, in mindere mate een magisch genootschap. Heksen bedrijven magie tijdens volle maanbijeenkomsten en esbats, de religieuze beleving wordt gereserveerd voor de acht sabbats.

De Wicca bestaat uit een reeks zeer uiteenlopende tradities, die elk varianten op het centrale geloof aanbieden. De bekendste zijn de Gardneriaanse, Alexandrijnse en Faery wicca, het Dianisme en de familietradities van erfheksen. Niet alle auteurs zijn het erover eens welke heksentradities nu Wicca zijn en welke niet. Vooral in Europa bestaat de neiging om uitsluitend de Gardneriaanse en Alexandrijnse inwijdingslijnen als Wicca te beschouwen. Alle andere tradities, zoals Faery of Dianisme, worden hekserij genoemd. In de Verenigde Staten wordt het woord Wicca algemener gebruikt voor mensen, al dan niet in een coven ingewijd, die de Godin vereren.

De meeste tradities zijn afsplitsingen van of lieten zich inspireren door de Gardneriaanse hekserij, genoemd naar de vader van de moderne hekserij, Gerald Gardner die in 1939 werd ingewijd. Sommige tradities beweren andere, 'oudere' voorlopers te hebben, maar harde bewijzen zijn daar nooit voor gevonden. Integendeel. Meestal bleken de verhalen verzonnen te zijn.

Naast de meer formele tradities duiken er in heel de westerse wereld erfheksen op. Zij beweren meestal te zijn ingewijd in een familietraditie, door een grootmoeder, grootvader of door een van de ouders. Bewijzen die dergelijke beweringen moeten ondersteunen, zijn er zelden of nooit. De geheimzinnige grootmoeders die de kennis van de hekserij zouden overgeërfd hebben van de vorige generaties blijken meestal overleden te zijn, zodat er geen enkele mogelijkheid bestaat de waarachtigheid van het verhaal te controleren. Erfheksen stammen meestal niet uit families waar hekserij als een paganistische religie beleefd werd, zoals in de Wicca. Wel gebeurt het dat erfheksen in een gezin opgroeiden waarin magie een gewone zaak was. De ouders of grootouders waren vaak christenen, die in het dorp bekend stonden voor hun kennis van kruiden, wondermiddeltjes of magische spreuken.

De Wicca daarentegen werd tijdens het interbellum 'heruitgevonden' door Gerald Gardner. Gardner beweerde in 1939 te zijn ingewijd in een oude, geheime coven in New Forest, in het Zuiden van Engeland. In zijn boek The Meaning of Witchcraft (1959) schrijft hij:

Ik besefte dat ik op iets zeer interessants was gestoten; maar ik was reeds half-ingewijd toen het woord Wica -- wat ze gebruikten -- me als een bliksemschicht trof, en ik wist waar ik me bevond, en dat de Oude Religie nog steeds bestond. En zo kwam ik in de Cirkel terecht, en ik legde daar de gebruikelijke eed van de geheimhouding af, die me ertoe verbond een aantal dingen niet te onthullen.

Gardner creëerde zo een legende die de hekserij een historische basis moest geven. Die legende beschreef ik reeds in mijn vorige boek De Schaduw van de Maan:

Hekserij is een oude religie waarvan de vroegste belevingsvormen uit de steentijd stammen. In die tijd werden een God van de Jacht en een Godin van de Vruchtbaarheid aanbeden. De cultus was universeel en verschilde slechts van streek tot streek door de manier waarop men de goden aanbad of door de namen waarmee de goden werden aangeroepen.
In West-Europa bleef de Oude Religie vrij lang bestaan. Het jonge christendom palmde immers eerst de heersende klasse in en trachtte pas later door te stoten naar het boerenvolk. Maar met de hulp van de maatschappelijke bovenlaag slaagde het christendom erin de heilige plaatsen en tempels van de Oude Religie in te palmen en op die plekken de eerste christelijke heiligdommen te bouwen. De plaatselijke goden en geesten werden door het christendom omgedoopt tot de heiligen van het nieuwe geloof.
Op het platteland bleven de boeren de Oude Goden kennen. En zelfs als ze de oude namen vergaten, bleven de gebruiken bestaan. In volksvertellingen, stoeten, folkloristische feesten en optochten leefden de Oude Goden voort.
In zijn poging de Oude Religie definitief te vernietigen, bestempelde het christendom de Gehoornde God van de jacht als de Duivel. De christelijke Satan kreeg op die manier het uiterlijk van de Oude God: een kruising tussen een menselijk figuur en dat van een bok. Toen in de veertiende en later in de zestiende en zeventiende eeuw de volgelingen van de Oude Religie genadeloos vervolgd werden, moesten ze ondergronds gaan werken.
Kleine groepen heksen bleven de oude kennis en riten in het grootste geheim aan elkaar doorgeven. Deze heksengroepen of covens bleven bestaan tot in de twintigste eeuw. Pas toen in 1951 in Groot-Brittannië het wettelijke verbod op hekserij afgeschaft werd, konden de heksen opnieuw in de openbaarheid komen. Gardner vreesde dat de Oude Religie zou uitsterven en begon er om die reden over te publiceren. Zo vormde hij de grondslag voor de Wiccan revival.

Volgens de Amerikaanse auteur Aidan Kelly, die de oorsprong van de Gardneriaanse Wicca onderzocht, werd de moderne hekserij gesticht door Gardner en een aantal bevriende occultisten in september 1939. Recenter historisch onderzoek zou echter aantonen dat de coven waarin Gardner werd ingewijd al een tijdje voor 19939 actief was, maar dat zij inderdaad niet kon behoren tot een eeuwenoude traditie. Gardner is dan niet de uitvinder" van de moderne hekserij, maar is wel de katalysator die verschillende invloeden heeft samengebracht tot een "nieuwe religie". De Wicca moet dan eerder beschouwd worden als een synthetische, eclectische religie, die zich geïnspireerd heeft op ceremoniële magie en oude gebruiken. Op zich is dat geen bezwaar. Alle religies werden ooit door mensen gecreëerd, in een proces dat identiek is aan de vorming van de Wicca. Het gaat steeds om pogingen om oude religies aan te passen en te vernieuwen, zodat ze beantwoorden aan nieuwe noden en behoeften. Het christendom is een aanpassing van de joodse religie, het protestantisme een aanpassing van het roomse christendom, de islam een aanpassing van Arabische en joods-christelijke tradities... Menselijke creativiteit begint nooit ex nihilio, uit het niets, maar steeds van bestaand materiaal.

Gardner beschikte over een groot arsenaal aan inspiratiebronnen waar hij gretig uit putte. Zijn belangrijkste bron en wellicht de aanzet tot het heruitvinden van de hekserij, was de publicatie in 1922 van The Witch Cult in Western Europe van de Britse egyptologe Margaret Murray. In 1933 publiceerde Murray een tweede boek The God of the Witches dat eveneens als een bron dienst deed. Murray lanceerde de thesis dat de hekserij uit de late Middeleeuwen en de vroege moderne tijden een overleving was van oude heidense gebruiken. Heksen bestonden echt, beweerde ze, maar het waren geen duivelaanbidders, maar vereerders van een oeroude Gehoornde God. De nadruk in Murray's hypothese lag voornamelijk op de God en in veel mindere mate op de Godin. Daarin week ze sterk af van de latere Gardneriaanse hekserij, waarin de Godin de belangrijkste plaats zou innemen. De klassieke covens die Murray besprak, werden meestal geleid door een man, en dat was aanvankelijk ook in Gardners coven het geval. Hijzelf was ontegensprekelijk de leider van de coven. Pas veel later, op het einde van de jaren '50, zou de rol van de hogepriesters die van de hogepriester in de Wicca gaan overschaduwen. Murray sprak in haar publicaties ook van sabbats, maar vermeldde er slechts vier per jaar, terwijl moderne heksen er acht vieren. Gardners eerste covens hielden -zeker tot in 1957- ook slechts vier sabbats. De verdubbeling van het aantal sabbats is van recente datum.

Murray's werk werd aanvankelijk ernstig genomen en zij schreef gedurende enkele jaren de bijdrage over hekserij voor de Encyclopedia Britannica. Historici zouden echter haar beweringen in twijfel gaan trekken en vooral haar bijzonder onwetenschappelijke manier van geschiedschrijving bekritiseren. Alhoewel die kritiek terecht is, wordt haar basishypothese, namelijk de overleving van gestructureerde heidense groepen, ondertussen opnieuw ondersteund door het werk van de Italiaanse historicus Carlo Ginsburg, die aanwijzingen heeft gevonden voor het bestaan van dergelijke groepen in Italië.

Alhoewel Gardner zich sterk inspireerde op Murray, was zij niet de eerste die geloofde dat de oude hekserij een overlevend paganisme was. In 1828 werd deze stelling voor het eerst geponeerd door Karl Ernst Jarcke, professor aan de rechtsfaculteit van de universiteit van Berlijn. Deze these werd in 1939 verder ontwikkeld door Franz Josef Mone, directeur van het archief van Baden. Maar de eerste uitgewerkte versie van de hypothese werd in 1862 geschreven door de Franse historicus Jules Michelet, een radicale antikatholiek. In zijn bestseller La Sorcière schilderde hij de vermeende oude heksenreligie af als een bevrijdingsbeweging in een door christelijke tirannie gedomineerde Middeleeuwen. Volgens Michelet werden de heksencovens geleid door een priesteres en waren het vrolijke, vreedzame en democratische groepen. La Sorcière wordt nu beschouwd als een bijzonder goed geschreven boek, dat echter geen enkele historische waarde heeft. Het is echter merkwaardig dat na het immense succes van het boek in de tweede helft van de negentiende eeuw, de moderne hekserij in Frankrijk geen voedingsbodem vond.

Moderne heksencovens komen samen bij volle maan, maar daarover vinden we in Murray's studies geen enkele verwijzing. Gardner inspireerde zich voor de vollemaansvieringen wellicht op een andere belangrijke bron: Aradia, Gospel of the witches van Charles Godfrey Leland uit 1888, dat wellicht geïnspireerd was door La Sorcière van Michelet. De Amerikaanse avonturier en amateur-volkskundige Leland beweerde een handgeschreven heksenboek te hebben gekregen van een Italiaanse volksvrouw, Maddalena. Het boek beschrijft hoe de godin Aradia, Koningin van alle heksen, naar de aarde kwam om de hekserij aan de mensen te leren als wapen tegen onderdrukking. Om haar te vereren moesten de heksen samenkomen bij volle maan. Ook de Opdracht van de Godin, het heksencredo dat in nagenoeg elk modern Boek der Schaduwen voorkomt, is gebaseerd op een tekst uit Aradia.

In mindere mate belangrijk voor de start van de Wicca, maar later als inspiratiebron zeer invloedrijk was The White Goddess, van historicus Robert Graves uit 1952. Het boek werd gepubliceerd twee jaar voor Gardners eerste non-fictieboek over hekserij. The White Goddess is weliswaar geschreven door een eminent historicus, maar werd geconcipieerd als een poëtisch, eerder dan een historisch werk. Beweringen uit The White Goddess die overgenomen werden door de moderne Wicca zijn dan ook historisch niet altijd accuraat.

Nog een standaardwerk dat een bijzondere invloed had, was The Golden Bough van James Frazer uit 1890, een van de eerste grote studies in het domein van de vergelijkende godsdienstwetenschappen. The Golden Bough bevat materiaal over paganistische gebruiken uit de klassieke oudheid die voortleefden tot in de negentiende eeuw. Sommige Gardneriaanse rituelen zijn gebaseerd op gegevens uit de studie van Frazer.

Gardner had eveneens de boeken van occultisten en magiers als Aleister Crowley en Dion Fortune ter beschikking. Crowley's teksten werden gebruikt als inspiratiebron en sommige passages zijn letterlijk terug te vinden in het Boek der Schaduwen. Verder putte Gardner uit De Sleutel van Salomon, een middeleeuws grimoire dat vertaald was door de occultist MacGregor Mathers.

Een uitgave van het Grand Grimoire, in de negentiende eeuwse versie aangevuld met de Sleutel van Salomon. Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel.

Gardner putte niet alleen uit de literatuur, maar eveneens uit bestaande occulte tradities. Een ervan was de Hermetische Orde van de Gouden Dageraad die in 1888 was gesticht, en op haar beurt putte uit de vrijmetselarij, de rozenkruisers en de theosofie. De drie stichtende leden van de Orde waren overigens vrijmetselaars. De manier waarop een heksencirkel en de pentagrammen worden getrokken, komen rechtsreeks uit het standaardritueel van de Gouden Dageraad. Uit de vrijmetselarij zijn de drie inwijdingsgraden afkomstig, evenals de benaming De Kunst (The Craft) voor de hekserij en bepaalde onderdelen van de eerstegraadsinwijding.

Gardner werkte duidelijk aan een systeem dat eenvoudiger was dan de ceremonieel magische systemen die tot dan gekend waren. Hij gebruikte daarvoor de structuren van de bestaande genootschappen, maar vulde die in met volkse magie en met het concept van godinnenverering.

Bovendien waren de bestaande ceremoniële ordes joods-christelijk van oorsprong en Gardner werkte, geïnspireerd door Murray's boeken, aan een paganistische religie.

Gardner gaf weliswaar toe dat hij druk was gaan lenen bij andere bronnen, maar hield vol dat een groot deel van de rituelen authentiek waren en afkomstig uit de geheime New Forest coven. Maar hij was niet de eerste die beweerde dat hij in een oude familietraditie van erfheksen was terecht gekomen.

Een van de bekendste pre-Gardneriaanse tradities die op de erfhekserij gebaseerd zou zijn, is de Amerikaanse Feeëntraditie. De stichter Victor Anderson zou ingewijd zijn in 1932 (zeven jaar voor Gardner) in de Harpy coven in Ashland, Oregon. De groep hield zich nagenoeg uitsluitend bezig met magie, in veel mindere mate met religie. Bovendien was het godsbeeld uitsluitend mannelijk, en geconcipieerd als een reactie op de christelijke God. De Feeëntraditie zoals die nu gekend is door de publicaties van Starhawk, is daar bijna een tegenpool van. De nadruk ligt nu radicaal op de Godin, wat betekent dat het Gardneriaanse godinnenconcept werd overgenomen.

Er zouden ook pre-Gardneriaanse covens actief geweest zijn in Michigan (de Gundellacovens), Los Angeles, Louisville en New York City, maar allemaal beoefenden ze een vorm van hekserij die sterk afweek van wat nu als Wicca bekend staat.

Ook na de publicaties van Gardner bleven sommige heksen beweren te zijn ingewijd in oude familietradities. Roy Bowers, die het pseudoniem Robert Cochrane gebruikte en in de jaren '60 de clan van Tubal-Cain leidde, is een bekend Brits voorbeeld. Cochrane beweerde te zijn ingewijd in een coven van erfheksen, maar in werkelijkheid kreeg hij zijn inwijding van een Gardneriaanse hogepriesteres. Ondanks zijn 'frauduleuze' achtergrond heeft Cochrane wel degelijk veel invloed gehad op de evolutie van de Britse hekserij. Hij werkte ook een korte tijd samen met Doreen Valiente. Cochrane pleegde zelfmoord in 1966, maar nu nog werken er in Groot-Brittannië en de VS covens die van zijn traditie afkomstig zijn. Over het algemeen werken deze groepen bijzonder discreet en pas recent werden delen van de Cochranetraditie gepubliceerd in Witchcraft: A Tradition Renewed van Evan John Jones.

De bekendste Britse heks die beweerde door zijn grootmoeder te zijn ingewijd is Alex Sanders. Naar hem is de vrij grote Alexandrijnse traditie genoemd, die vooral in Nederland en Vlaanderen de dominante traditie is. Het is zeer onwaarschijnlijk dat Sanders ook echt door z'n grootmoeder werd ingewijd. Wat vast staat is dat hij in 1963 door Pat Kopanski in de Gardneriaanse hekserij werd ingewijd, reden waarom het Alexandrijnse Boek der Schaduwen als twee druppels op het Gardneriaanse lijkt.

Volledig losstaand van de genealogie van de Gardneriaanse hekserij is het Dianisme of de Dianische hekserij, genoemd naar de Godin Diana. De covens zijn meestal sterk feministisch en matriarchaal. In deze covens wordt er geen mannelijke God vereerd en zijn alle leden vrouwen. Sommige covens bestaan uitsluitend uit lesbische vrouwen. De Dianische hekserij stamt uit de Verenigde Staten waar de eerste covens in de jaren '60 ontstonden. De rituelen zijn zeer eclectisch en vermengen invloeden uit verschillende tradities. In Nederland is er een coven actief in Amsterdam, in Vlaanderen in Brugge.

Alle teksten uit ABRACADABRA - lexicon van de moderne hekserij: © Jan de Zutter