staf
De staf is, naast het athame, de kelk en het pentakel een van de belangrijkste heksenwerktuigen die op het altaar liggen. De staf wordt geassocieerd met de toverstaffen uit sprookjesboeken, maar is in de moderne hekserij een ritueel werktuig. Het vertegenwoordigt op het altaar een van de vier elementen, meestal vuur, in sommige tradities ook lucht. De staf staat voor mannelijke, fallische krachten en wordt bij de werkzaamheden dan soms ook gebruikt in plaats van het athame om de wijn te wijden tijdens de symbolische Grote Rite. Het fallische karakter van de staf wordt soms benadrukt in de zogenaamde fallische staf, die aan een van de uiteinden voorzien wordt van een pijnappel. Deze staf wordt ook vaak omwonden met witte en zwarte linten, die het mannelijke en het vrouwelijke voorstellen. De linten verwijzen ook naar de caduceus of Hermesstaf, waar zich twee slangen rond winden.
Ook het gebruik van de staf is ontleend aan het zeventiende-eeuwse grimoire, de Sleutel van Salomon, die aangeeft dat een goede staf van hazelaar moet gemaakt worden, of uit het hout van een andere notenboom. Volgens de Sleutel moet de staf in één haal van de boom gesneden worden en van maagdelijk hout zijn, dat is hout van slechts een jaar oud. De staf moet bij zonsopgang op de dag van Mercurius (mercredi, woensdag) gesneden worden. In Vlaanderen werd de staf van hazel gesneden met een vlijmscherpe vuursteen, het traditionele athame van de erfheks, nooit met een metalen mes. Het hout werd vaak gebruikt om wichelroedes van te maken om water op te sporen. De hazel werd op die manier de sleutel tot de bron der wijsheid en kennis. Hazelaars werden ook vaak bij heilige bronnen aangetroffen, die voor de Kelten de poorten naar de Godenwereld waren. De noten konden dan in het water gegooid worden als een offergave aan de Goden, of als voedsel voor de zalm die de allesomvattende wijsheid had.
In de Greencraftwicca wordt de staf steeds gesneden van een wilg, bij zonsondergang en liefst bij nieuwe maan. Het is de eerste handeling die kandidaat heksen moeten ondernemen. De lengte van de staf wordt bepaald door de afstand van de elleboog tot het uiteinde van de uitgestrekte middelvinger. Op die manier wordt elke staf een uniek en persoonlijk werktuig.
De wilgenstaf verwijst naar een inheemse boom die sterk met de maan in verband werd gebracht, en daarom ook met heksen en magie. De Griekse tovenares Circe zou volgens de mythe in een heilig wilgenbosje op het eiland Aenea geleefd hebben. In onze streken geloofde men dat heksen in de kruinen van wilgen hun schuilplaats hadden. De soepele wilgentakken werden ook gebruikt bij magische handelingen. Door een knoop in zo'n tak te leggen, kon men iemand van op een afstand 'vastbinden'. In de volksgeneeskunde werden aan de wilg genezende eigenschappen toegedicht. Bij koorts moest men 72 maal rond een wilg lopen om de boom de koorts te laten overnemen. Men kon ook drie knopen in een wilgentwijg leggen en zeggen: Goemorgen olde, ik geef u de kolde. De koortswerende eigenschappen van de wilg werden later overgenomen door een chemisch substraat, aspirine, dat hetzelfde salicinezuur bevat als de wilg (salix). Een tonicum van wilgenbast werd vroeger ook gebruikt als koortsbestrijdend middel.
Soms wordt de staf versierd met edelstenen aan het uiteinde of met koper of zilverbeslag, een heel enkele keer met symbolen.
Alle teksten uit ABRACADABRA - lexicon van de moderne hekserij: © Jan de Zutter