Indiaas spreekwoord: Als je een leeuw een lam ziet likken, beschouw dat dan als een slecht voorteken.
Nieuwe maan

Volgende volle maan:
4 juni - 23u49

sabbat

Het geloof dat heksen samen komen om de sabbat te vieren is al oud, alhoewel de term sabbat pas goed ingang vond tijdens de periode van de heksenvervolgingen. De eerste vermelding van een sabbat in geschriften van de Inquisitie dateert uit 1335. Het betrof een proces over een bijeenkomst in Toulouse. Maar pas in de vijftiende eeuw werd de term op het continent algemeen. In Groot-Brittannië verschijnt de term pas in 1620 in de verslagen van een heksenproces.

Voor de christenen uit die tijd was de heksensabbat een pervers orgiastisch feest, waarbij de heksen, meestal op een afgelegen heuveltop, copuleerden met de duivel, die er verscheen in de vorm van een geitenbok. Heksen vlogen op hun bezem of op de rug van dieren naar de sabbat. Tijdens het feest werden ongedoopte kinderen geofferd en de heksen kusten het achterwerk van de duivel.

Het is meer dan onwaarschijnlijk dat dergelijke duivelse bijeenkomsten ooit hebben plaatsgevonden. De heksensabbat was een verzinsel van de kerk dat het mogelijk moest maken om ketters en geloofsafvalligen te veroordelen. Een bezoek aan de sabbat was het onbetwistbare bewijs van een verbond met de duivel, en om dit bewijs te bemachtigen werden verdachten ongenadig gefolterd. Op de pijnbank werden bekentenissen vrij vlot afgelegd, en duizenden onschuldigen vonden daarna de dood door ophanging, verdrinking of de brandstapel.

Het gebruik van het woord sabbat zou een gevolg kunnen zijn van de kerkelijke haat tegen elke afwijkende geloofsovertuiging. De sabbat is immers een joods feest, en zoals bekend is het roomse christendom wel vaker betrapt op antisemitische uitingen.

De joodse sabbat heeft echter nog oudere wortels. Sabbat werd immers afgeleid van de Assyrische sabbatu of maanfeesten. De sabbatu houden verband met de menstruatiecyclus van de Assyrische maangodin Ishtar. In vele culturen is er een verband tussen menstruerende vrouwen en allerhande taboes die in die periode van kracht zijn. De Assyriërs geloofden dat werken, gekookt voedsel eten of reizen met nieuwe maan ongeluk zou brengen. Daarom was de sabbatu een rustdag, die gehouden werd op de nieuwe maan, het moment waarop de maangodin zou menstrueren. De Assyriërs verdeelden de menstruele cyclus van de maangodin in vier delen, en creëerden zo periodes van zeven dagen. De sabbatu werd uitgebreid naar de zevende, veertiende en de eenentwintigste dag. Datzelfde ritme werd overgenomen door de joden en later door de christenen en vormt nu nog het raamwerk van onze zevendaagse week.

De Sabbat van Goya
De Sabbat van Goya, 1794-95 toont het traditionele christelijke beeld van de heksensabbat waar de duivel verschijnt in de vorm van een geitenbok.

Alhoewel de historische heksensabbat wellicht een christelijk verzinsel is, staat het vast dat onze heidense voorouders wel degelijk het ritme van de seizoenen vierden. De heksensabbat zoals we die vandaag kennen, is dan ook niet de naam van een maanfeest, maar van de seizoensfeesten.

Zowel de Kelten als de Germanen beschikten over een kalender die specifieke dagen aanduidde voor rituele feesten die verband hielden met de cyclus van de zon en met belangrijke momenten voor hun kuddes of akkers. De ceremoniën werden vaak buiten gehouden, in heilige wouden, de Nementona. Over de precieze aard van deze feesten bestaan er weinig gegevens. Ook is het onduidelijk of er een pan-Keltische of pan-Germaanse feestkalender bestond.

De Kelten, Centraal-Europese stammen die vanaf de vijfde eeuw voor onze jaartelling West-Europa binnenvielen, verdeelden het jaar in twee helften: de winter en de zomer. De winter startte op Samhain (1 november). Dat was meteen ook een bijzonder belangrijke feestdag, wat wijst op een pastorale eerder dan op een agrarische oorsprong van de kalender. Samhain is immers de periode waarin de kuddes van de zomerweiden waren teruggekeerd om te overwinteren in de dorpen. Enkel de dieren die voorbestemd waren om volgend jaar te kweken, werden gehouden, de rest werd geslacht. Samhain was evenees een periode waarin allerlei bovennatuurlijke krachten actief waren, krachten waartegen de mens zich via rituele handelingen diende te beschermen.

Het tweede belangrijkste Keltische feest was Beltain of Cétshamhain (1 mei), het begin van de zomer en eveneens een pastoraal feest. Dan zouden de kuddes, met de jonge lammeren, terug naar de zomerweiden keren. Met Beltain werden grote vuren ontstoken, waar de kudde doorheen gedreven werd om het vee tijdens het volgende seizoen te beschermen. Het vuurfeest Beltain was mogelijk verwant met de zonnegod Belenos of Bel.

De Ierse Kelten kenden nog twee seizoensfeesten, namelijk Imbolc (2 februari) en Bron Trogain (1 augustus), wat nu beter gekend is als Lughnasadh.

Imbolc is eveneens een pastoraal feest, omdat in februari de lammeren worden geboren. In tegenstelling tot de andere ceremoniën was Lughnasadh eerder een agrarisch feest dat verband hield met de graanoogst.

De vier seizoensfeesten van de Ierse Kelten maken nu deel uit van de heksensabbats. Samhain, Imbolc, Beltain en Lughnasadh worden de grote sabbats genoemd. Maar de moderne heksen vieren nog vier kleine sabbats, die samenvallen met de zonnewendes en de eveningen. De zonnewendes en eveningen kunnen van jaar tot jaar lichtjes variëren van datum, maar meestal worden ze op vaste data gevierd, namelijk op 21 december, 21 maart, 21 juni en 21 september. Of deze 'zonnefeesten' een duidelijke feestkalender vormden is twijfelachtig, alhoewel er aanwijzingen zijn dat in de periode van de zonnewendes ceremoniën werden gehouden en dat ook in de periode van de eveningen, in elk geval rond de lente-evening, kleinere festiviteiten gepland waren.

De kleine sabbats vinden hun oorsprong in elk geval niet bij de Kelten, maar bij de Germanen, een mengelmoes van stammen die aan het begin van onze jaartelling ten oosten van de Rijn leefden. In de daaropvolgende eeuwen zouden Germaanse stammen, zoals de Franken, Saksen of Gothen de Kelten tot in de uithoeken van het Europese continent verdrijven. In die gebieden, ondermeer in Vlaanderen en Nederland, zouden Keltische en Germaanse invloeden voelbaar blijven tot vandaag.

De Germanen verdeelden het jaar in zes delen, bestaande uit periodes van zestig dagen. Elke periode was ongeveer het equivalent van twee van onze maanden. De Yulemaand omvatte november én december, de Lithamaand juni én juli. Yule en Litha zijn de twee enige Germaanse namen van maanden die zijn bewaard gebleven, naar de andere vier hebben we het raden.

Het Germaanse jaar kende drie belangrijke feesten. De winter begon eveneens rond 1 november, zoals bij het Keltische Samhain. Dat feest werd in 835 door paus Georgius IV gekerstend tot Allerheiligen.

De tweede periode startte rond midden maart. Dat is precies de tijd van de lente-evening waarin we de belangrijke christelijke feesten van Sint-Gertrudis (17 maart), Maria Annunciatie (25 maart) of Pasen aantreffen. In diezelfde periode valt carnaval. In de moderne heksenkalender verwijst de Ostarasabbat (21 maart), genoemd naar de Teutoonse Godin Ostara, naar het lente-eveningfeest van de Germanen.

De laatste periode van het Germaanse jaar startte midden juli, zodat dit eerder in de buurt van het Ierse Lughnasadh valt. Deze Germaanse indeling had vaak te maken met wereldlijke verplichtingen, zoals het betalen van belastingen.

De feesten konden, wat de datum betreft, verschillen naargelang de locatie in Europa en er werden variaties op het thema van de feesten aangetroffen. De Vikingen hielden bijvoorbeeld wel een ceremonie op midwinter die ze Yule noemden. Ook de zomerzonnewende werd op verschillende plaatsen in Europa gevierd door het ontsteken van grote vuren op heuveltoppen. De Vlaamse bisschop Eligius van Noyon beklaagde zich in de zevende eeuw over het gezang en gedans van zijn gelovigen op 24 juni. De midzomerfeesten werden door het christendom overgenomen in de feestdag van Sint-Jan de Doper, die de komst van Christus voorspelde. Heksen vieren de zomerzonnewende nu als Litha of midzomer op 21 juni.

Ten minste zeven van de acht hedendaagse heksensabbats vinden hun oorsprong dus in oudere paganistische gebruiken. Samhain, Imbolc, Beltain en Lughnasadh hebben een Iers-Keltische oorsprong, Yule, Ostara en Litha een Germaanse. Enkel de herfstevening, de Mabonsabbat, lijkt geen belangrijk feest te zijn geweest. Er werd op sommige plekken in Europa wel recht gesproken op de eveningen en dus ondermeer op de herfstevening. In de Angelsaksische kalender van Bede uit het jaar 730 wordt de septembermaand de Haleg-Monath of Heilige Maand genoemd. Mogelijk heeft dat te maken met ceremonieën die het einde van de graanoogst moeten vieren. Bepaalde volkse gebruiken wijzen eveneens op paganistische rituelen in de periode van de herfstevening. In Vlaanderen vinden we op verschillende plaatsen een bronnencultus rond die tijd. In Wintershoven gingen de dorpelingen tot in deze eeuw van de Sint-Lambertusbron drinken. Lambertus heeft zijn naamfeest op 17 september, maar het is duidelijk dat zijn verering teruggaat op paganistische gebruiken, mogelijk zelfs naar een verering van de hemelgod Lugh, of zijn evenknie Windo. De naam Mabon voor de herfstevening is van recente datum en wordt vooral in de moderne heksensabbats gebruikt. De naam verwijst naar de Keltische God Mabon, zoon van Modron, die vooral in Wales vereerd werd.

Opmerkelijk is dat de kleine sabbats telkens veertig dagen voor de grote sabbats vallen. Samhain is veertig dagen verwijderd van Mabon, Imbolc, veertig dagen van Yule, Beltain, veertig dagen van Ostara en Lughnasadh, veertig dagen van Litha. Het heilige getal veertig verwijst naar een vastenpriode of voorbereidingstijd. Het is een tijd van zuivering. In de Greencraftwicca zijn de kleine sabbats dan ook telkens een belofte voor de grote sabbats. Met Yule wordt de bevruchting van de Godin met Imbolc aangekondigd, met Ostara de geboorte van de jonge God met Beltain, met Litha het Offer van de God met Lughnasadh en met Mabon de aankomst van de God in de Onderwereld met Samhain. De grote en kleine sabbats samen vertellen het verhaal van de eeuwige cyclus van het opgroeiende en stervende leven van de natuur.

Wellicht is de strikte indeling van het jaar in acht sabbats, met veertig dagen tussen de kleine en grote sabbats een moderne interpretatie. Het is waarschijnlijker dat de oude Europese volkeren naar de natuur keken om te bepalen wanneer het seizoensfeest moest gevierd worden. De data van de sabbats variëerden dan ongetwijfeld van jaar tot jaar.

Alle teksten uit ABRACADABRA - lexicon van de moderne hekserij: © Jan de Zutter