Lughnasadh
Alhoewel het pas 1 augustus is en de brandende zon ons het tegendeel wil aantonen, betekent Lughnasadh het symbolische einde van de zomer. De dagen worden nu zichtbaar korter en de tijd van oogsten is aangebroken. Lughnasadh is een van de Grote heksensabbats, die traditioneel op 6 augustus werd gehouden. Folkloristen verwijzen naar deze datum als Lughnasadh Oude Stijl. Meestal wordt de sabbat echter op 1 augustus of op de vooravond, 31 juli, gehouden. De sabbat is in verschillende heksentradities ook gekend als Lammas, afgeleid van het Angelsaksische Hlafmas, dat broodfeest betekent. Op deze dag werd immers de Graankoning vereerd, de verpersoonlijking van het graan dat zich offert om de mens te voeden en het zaad levert voor de nieuwe oogst van het volgende jaar. Tijdens het feest werd vaak een brood gebakken van het eerste graan dat geoogst werd, in de vorm van een Graankoning. In 743 verzette Bonifacius zich op het concilie van Letines zich tegen het bakken van dergelijke Graankoningen. De naam Lughnasadh komt reeds in verschillende vroeg middeleeuwse bronnen voor. De naam komt nagenoeg uitsluitend in Ierland voor, of in gebieden met Ierse kolonisten, zoals het eiland Man, waar het feest Laa'l Lhuanys heette. Lughnasadh betekent letterlijk de viering van Lugh, de Keltische hemelgod, wiens naam ook terug te vinden is in het Lantijnse lux of licht. In Wales heet hij Llew, de Leeuw met de Vaardige Hand. In sommige mythen is hij de kleinzoon van de eenogige Balor, in andere plant hij een speer in het oog van Balor, zodat die blind wordt. Lugh is van oorprong een continentale God. Zijn naam is terug te vinden in Europese steden als Lyon in Frankrijk en Leiden in Nederland.
Lugh wordt in onze streken nog aangetroffen onder de naam Windo of Windonnus, de Blonde of de Schitterende. Zo schuilt hij in Wintershoven, wat mogelijk een verbastering is van Windohofa, de Verblijfplaats van Lugh. Hij werd vaak afgebeeld, gezeten op zijn paard, Aenbarr, waarvan de voorpoten rusten op de schouders van een aardreus. Daarmee wordt de verbondenheid van de hemelvader Lugh met de aardse Moeder gesymboliseerd. De Keltische Lugh als ruiter verwijst ook naar de Germaanse Wodan en zelfs naar de christelijke Sinterklaas of Sint- Maarten.
In ierland hebben historici in de achttiende en de negentiende eeuw verschillende sporen teruggevonden van het Lughnasadh-feest. Tijdens de ceremonieën werden er offers gebracht aan de God. Er werden rituele dansen opgevoerd die mogelijk het verhaal vertelden van een strijd om de gunsten van een Godin. Er werd een heilige stier geofferd en een maaltijd genuttigd van de vruchten die zopas werden geoogst.
In Ierland was het ook de gewoonte dat met Lughnasadh de zogenaamde Teltown-huwelijken afgesloten werden. Deze huwelijken konden na een jaar en een dag zonder probleem verbroken worden. Ze werden niet door de pastoor gesloten, maar door een bard of een priester(es) van de Oude Religie. In Schotland bestond een gelijkaardig gebruik dat handvasten genoemd werd.
In de moderne hekserij is Lughnasadh de sabbat waarop de hemelgod zichzelf offert om het land te verzekeren van vruchtbaarheid. Het offer van de zonnegod is terug te vinden in de graanoogst, waarbij het gouden graan, gerijpt door de zon, met de zeis 'gedood' wordt. Niet alleen moet het graan dienen om de mensen te voeden tijdens de koude wintermaanden, maar ook als zaaigraan voor het volgende jaar. De thematiek van dood en wedergeboorte duikt hier dus opnieuw op. Pas als de God sterft, zal de winter kunnen overwonnen worden en zullen de gewassen het volgende jaar weer kunnen groeien. Lughnasadh is daarom niet alleen een eerbetoon aan de geofferde God, maar eveneens een vruchtbaarheidsfeest. Het zaad dat geoogst wordt, zal immers opnieuw de aarde bevruchten. Opvallend is dat negen maanden later, met Beltain, de jonge God opnieuw geboren zal worden.
Het offer van de God is geïnspireerd op het oeroude geloof dat de goden sterfelijk waren. Een God kon veel beter sterven op het hoogtepunt van zijn macht, dan langzaam af te takelen en te zwichten onder de kwalen van de ouderdom. Vandaar dat ook koningen en krijgsheren verkozen in de strijd te sterven. De dood in de bloei van het leven garandeerde ook dat de ziel krachtdadig aan een nieuw leven kon beginnen, nadat hij het lichaam van de stervende had verlaten.
Deze regel gold vooral voor de Koningen, die regeerden dank zij hun goddelijke status. Als zij een natuurlijke dood zouden sterven, zou het land ten onder gaan. Het lot van het land was immers verbonden met de macht van de Koning. Mocht die macht wegkwijnen, dan zou ook het land aftakelen.
In vele gevallen werd de koning zelf gedood, maar in bepaalde culturen werd een vervanger aangesteld die het lot van de koning moest ondergaan. In Babylonië gebeurde dit rituele offer jaarlijks bij de heraanstelling van de koning. Tijdens het offerfeest werden de rollen van meesters en knechten omgedraaid en bedienden de leiders hun dienaars. Een terdoodveroordeelde werd in koningskleren gestoken en mocht gedurende vijf dagen het leven van een vorst leiden. Op het einde van de vijfde dag werd hij gedood.
Net zoals de goddelijke koningen konden regeren over een volk, zo konden goden regeren over het land en de gewassen. In de moderne heksensabbat wordt er van uitgegaan dat de hemelgod Lugh regeert over de helft van het jaar waarin de zon in kracht toeneemt. De heerschappij van de zon stopt echter met midzomer, zodat de krachten van de zonnegod op 1 augustus duidelijk aan het afnemen zijn en de tijd voor het offer rijp is.
In verschillende Europese oogstgebruiken werd de maaier of binder van de laatste schoof vaak 'ritueel mishandeld'. Soms werd hij in een bussel stro vastgebonden, geslagen of in het water gegooid of moest hij z'n gezellen trakteren op een borrel. De boerenknecht die de laatste schoof onder zijn hoede nam werd als het ware de vervanger van de Graankoning, die symbolisch 'gedood' werd. Moderne historici zijn intussen afgestapt van deze animistische theorie, die ervan uit gaat dat de Graankoning een geest was. Zij gaan ervan uit dat het mishandelen van de laatste schoven een teken van vreugde was omdat de arbeid nu eindelijk afgelopen was.
Soms werd het laatste graan samengebonden in de vorm van een man, die De Oude Man werd genoemd en soms symbolisch doodgeslagen werd. Deze Graankoning werd in sommige delen van Europa ook feestelijk het dorp binnengehaald om er te overwinteren in de schuur. Tijdens de volgende lente werd hij opnieuw naar het veld gebracht om zijn taak weer op te nemen.
De Graankoning was niet alijd een man. Het kon ook een vrouw zijn. De dood van de Graankoningin verwees dan naar het terugtrekken van de Korenmoeder, Demeter, uit de velden. Tijdens het Ierse Lughnasadh werden de zogenaamde Tailltean games gehouden, de spelen ter ere van de overleden voedster van Lugh, Tailte of Tellus. De zorgende taak van de moedergodin, die tijdens de lente en de zomer de gewassen had gevoed, was nu immers voorbij.
Het vrouwelijke aspect van Lughnasadh vinden we nog terug in de kruidenzegeningen die op sommige plaatsen in Vlaanderen, bijvoorbeeld in Damme, op 15 augustus, Maria-Hemelvaart, plaatsvinden. Dat feest, gebaseerd op apocriefe verhalen, werd pas in 528 ingevoerd door de Byzantijnse keizer en verspreidde zich vanaf vanaf 750 in onze gewesten. Ook Maria-Hemelvaart herinnert er ons aan dat de Moeder van de Lichtgod (Christus) langzaam de aarde verlaat. Terwijl in Ierland Lughnasadh gevierd werd, kende de rest van Europa nagenoeg uitsluitend de feesten rond Maria-Hemelvaart. In Schotland gingen de boeren 's ochtends vroeg naar het veld om er korenaren te plukken. De aren werd op een steen in de zon te drogen gelegd. Ze werden daarna gezuiverd en gemalen en tot deeg gekneed op een schapenvel. Met het deeg werd het Moilean Moire gemaakt, het 'kind van Maria'. Het brood werd gebakken op hout van de lijsterbes. Het brood werd dan door de heer des huizes gebroken en verdeeld onder zijn familie terwijl het Mhoirc Mhathar, het 'Loflied van Moeder Maria' werd gezongen. Tijdens het zingen stapte de familie deosil, klokgewijs, rond het vuur.
De eerste strofe van het lied klonk zo:
Ik sneed me een handvol nieuw koren
Ik droogde het voorzichtig in de zon
ik wreef het schoon van het kaf
met de palmen van mijn handen
In de Greencraftwicca komt de thematiek van het offer van de Graankoning eveneens voor. Er wordt een brood gebakken in de vorm van een fallische man. Tijdens het ritueel verlaten alle mannen de Cirkel en hakken de vrouwen de fallus van de Graankoning af, een verwijzing naar het maaien van de rechtopstaande korenhalmen. Het offer wordt gecombineerd met het thema van de wedergeboorte van de God. De heksen brouwen tijdens de sabbat een symbolische toverdrank die onsterfelijk maakt. De onsterfelijkheid verwijst naar het zaad van de geofferde graankoning dat het jaar erop opnieuw tot leven zal komen en zo de eeuwige cyclus van leven, dood en wedergeboorte draaiende houdt. In de toverdrank komen acht symbolische dieren terecht. Het getal acht verwijst naar de acht sabbats of zonnefeesten. Elk van de dieren wordt gesymboliseerd door corresponderende planten: de berk met de lynx, de brem met de haas, de zilverspar met de haan, de taxus met de salamander, de klimop met de arend, de beuk met de otter, de maretak met de beer en de populier met de uil.
De Cirkel wordt getrokken zoals gebruikelijk, waarna vier heksen de antifonale chant aanheffen:
Z: Het is de nacht van Lughnasadh.
O: Wat betekent deze nacht?
W: Het is het feest van het Offer.
N: Wat zijn de tekenen die gij ziet?
Z: Een Haas verschuilt zich in het koren, de maaier slijpt z'n messen.
O: Wat zullen we doen na dit feest van het Offer?
W: Het lichaam onderploegen, vol hoop op de toekomst.
N: Waaraan herkennen we elkaar deze nacht?
Z: We hebben onze harten gevuld met de warmte van de Zomer.
O: Wie helpt ons?
W: De Man met de Speer helpt ons.
N: Wie is de Man met de Speer?
Z: Hij is de koning van het land, wiens taak vervuld is.
O: Wie is deze God?
W: Hij is de stralende Zon van het Leven, de duistere God van de Dood.
N: Waar is onze God?
Z: Hij is in ons hart in alle seizoenen van het rondwentelende jaar.
O: Wie is Hij?
W: Hij is Lugh, de Stralende.
De Godin wordt opgeroepen in het westen waar zich een ketel met water bevindt, de ketel van de Maan:
De hogepriester plaatst nu de ketel van de zon naast die van de maan. Hij richt zich naar het westen en heft een berkenstaf boven zijn hoofd. Alle heksen roepen nu:
Als een climax bereikt wordt, zegt de hogepriesteres:
De hogepriester antwoordt:
Deze tekst verwijst naar de mythe van Lugh die vanuit het westen ten strijde trok en met zijn speer van Licht het oog van Balor doorboorde. De zon die op dit ogenblik van de dag in het westen ondergaat, is Lugh die de sabbat bezoekt en dus opkomt vanuit het westen. De speer van Lugh en de ketel van Cerridwen zijn de twee elementen die noodzakelijk zijn voor de Grote Rite, de eenheid tussen de God en de Godin, het vruchtbaarheidsaspect van deze sabbat.
De hogepriesteres ontsteekt nu een vuur in de ketel van de Zon. Ze plaatst de ketel van de Maan, gevuld met water boven de ketel van de Zon. Het water zal langzaam beginnen pruttelen. Op dat ogenblik begint de hogepriesteres aan de bereiding van de toverdrank. Terwijl de hogepriesteres met haar staf in de ketel roert, wordt door een van de heksen een verhaal voorgelezen:
En Cerridwen woonde in een huis dat gebouwd was rond de stam van een hoge berk. En het dak werd ondersteund met pijlers van zilverspar, taxus, beuk en populier en was bekleed met klimop. En tussen de balken van beuk en populier werd een stukje maretak gestoken om het huis tegen onheil te beschermen. Voor de deur stond een bezem van brem.
En Cerridwen had een ketel. In die ketel brouwde zij een toverdrank. Een jaar en een dag pruttelde de ketel van de Maan boven de vuren van de Zon. En een jaar en een dag brouwde Cerridwen haar drank van Eeuwig Leven en Onkwetsbaarheid.
De hogepriesteres antwoordt: Met de poot van een lynx (de berkenstaf) roerde zij in haar ketel.
De hogepriester zegt nu: Zie de Lynx, de kracht van de berk, geeft zijn leven voor de vruchtbaarheid van het land.
Vertelster: Wat mengde zij in haar toverdrank?
Hogepriesteres: In de ketel deed zij een haas. En zij gooit een takje brem in de ketel.
Hogepriester: Zie de haas, de kracht van de brem, geeft zijn leven voor de vruchtbaarheid van het land.
Vertelster: Wat mengde zij nog in de ketel?
Hogepriesteres: In de ketel deed zij een haan. En ze gooit een takje van de zilverspar in de ketel.
Hogepriester: Zie de Haan, de kracht van de zilverspar, geeft zijn leven voor de vruchtbaarheid van het land.
Vertelster: Wat mengde zij nog in haar ketel?
Hogepriesteres: In haar ketel deed zij een salamander. En ze gooit een takje van de taxus in de ketel.
Hogepriester: Zie de salamander, de kracht van de taxus, geeft zijn leven voor de vruchtbaarheid van het land.
Vertelster: En wat mengde zij nog in haar ketel?
Hogepriesteres: In de ketel deed zij de vleugel van een arend. En ze gooit een takje van de klimop in de ketel.
Hogepriester: Zie de Arend, de kracht van de klimop, geeft zijn leven voor de vruchtbaarheid van het land.
Vertelster: En wat mengde zij nog in haar ketel?
Hogepriesteres: In de ketel deed zij het vel van een otter. En ze gooit een takje van de beuk in de ketel.
Hogepriester: Zie de otter, de kracht van de beuk, geeft zijn leven voor de vruchtbaarheid van het land.
Vertelster: Wat mengde zij nog in haar ketel?
Hogepriesteres: In de ketel deed zij het hart van een beer. En ze gooit een stukje maretak in de ketel.
Hogepriester: Zie de Beer, de kracht van de maretak, geeft zijn leven voor de vruchtbaarheid van het land.
Vertelster: Wat deed zij nog in haar ketel?
Hogepriesteres: In de ketel deed zij de kop van een uil. En ze gooit een takje van de populier in de ketel.
Hogepriester: Zie de Uil, de kracht van de populier, geeft zijn leven voor de vruchtbaarheid van het land.
Vertelster: Wat mengde zij nog in haar ketel?
Hogepriesteres: Dat is een geheim.
De hogepriesteres verzoekt nu alle mannen de Cirkel te verlaten. De hogepriester blijft achter, maar wordt bedekt met een zwart kleed. Op zijn lichaam wordt nu het brood, in de vorm van de Graankoning, gelegd. Als alle mannen uit het zicht verdwenen zijn, gaat het ritueel verder.
Hogepriesteres: Het zaad van een man.
Hogepriester (vanonder het zwarte gewaad): Ik ben Lugh. Mijn speer schenkt uw ketel vruchtbaarheid.
Hogepriesteres: Slechts het laatste offer kan de toverdrank compleet maken.
Hogepriester: Zo is het altijd geweest. Ook ik geef mijn leven voor de vruchtbaarheid van het land.
De hogepriesteres hakt de fallus van de Graankoning af onder luid gejoel van de vrouwen. Elke vrouwelijke heks eet een stukje van de Graankoning. De rest van de fallus wordt in de ketel gegooid. Alle vrouwen dansen nu rond de ketel. Ook de kelk met wijn, het bloed van Lugh, wordt nu in de ketel gegoten.
De hogepriesteres neemt nu afscheid van Lugh. De hogepriester gaat in het westen staan met de berkenstaf in de hand en de Hogepiesteres zegt:
De mannen worden nu opnieuw in de Cirkel toegelaten. De vertelster beëindigt nu haar verhaal: En de kinderen van Cerridwen baadden in de ketel van wedergeboorte.
Alle aanwezigen brengen nu wat vocht uit de ketel op hun lichaam aan. De hogepriesteres zegt ondertussen:
Wat overblijft in de ketel wordt door de Hogepiesteres als plengoffer aan het land toevertrouwd met de woorden: Opdat gij opnieuw geboren worde.
Nadien vindt de traditionele cake- en wijnceremonie plaats, en wordt de Cirkel verbroken.
Alle teksten uit ABRACADABRA - lexicon van de moderne hekserij: © Jan de Zutter