Litha
Litha (21 juni) is de zomerzonnewende, de kleine sabbat tussen Beltain en Lughnasadh. Met Litha vieren de heksen het hoogtepunt van de zon, de langste dag en de kortste nacht. Na Litha zullen de dagen weer korter worden en zal het licht langzaam verdrongen worden door de duisternis.
Het gebruik van het woord Litha is van recente datum en er bestaat geen enkele historische aanwijzing dat de term door onze voorouders ooit gebruikt werd voor de zomerzonnewende. Nochtans staat het vast dat er op dat ogenblik ceremonieën werden gehouden. In de Handelingen van de martelaar St.-Vincentius, een geschrift uit de vierde eeuw, wordt beschreven hoe de heidenen van Aquitanië, in het zuidwesten van Frankrijk, tijdens een van hun feesten een brandend wiel van heuvel in een riviertje lieten rollen. De verkoolde restanten van het wiel werden daarna naar de tempel van een hemelgod gebracht. Er werd niet gespecificeerd wanneer het feest plaats vond, maar in latere geschriften werd het rollen van brandende wielen gesitueerd tijdens de Midzomerfeesten. Als het vuur doofde alvorens het wiel het water had bereikt, betekende dit een schamele oogst, maar als het vuur bleef branden, zou de oogst overvloedig zijn.
Alhoewel de zomer nu officieel begint op 21 juni is dat niet altijd zo geweest. In de traditionele Keltische en Germaanse kalender begon de zomer met Beltain (1 mei) en eindigde ze op Lughnasadh (1 augustus), zodat Litha precies in het midden valt. Daarom wordt Litha ook Midzomer genoemd. Shakespeare's Midzomernacht valt dan ook op Litha.
In de meeste streken in Europa werd Litha niet op het moment van de zomerzonnewende gevierd, maar op 24 juni, het feest van Sint-Jan de Doper. Het ontsteken van vuren werd dan ook overgenomen op de nacht van Sint-Jan. De eerste teksten die ernaar verwijzen, dateren uit de vroege twaalfde eeuw toen de Franse theoloog, Jean Belethus, de vuren vermeldde. Er werden vuren ontstoken in de straten, mannen gingen met fakkels rond de velden of er werden, zoals in Duitsland in de vroege vijftiende eeuw, 's nachts lampen in de straten gehangen.
Het feest van Sint-Jan bevindt zich op de kalender tegenover Kerstmis. Beide feesten bevinden zich op één van de zonnewendes en beide herdenken een geboorte, die van Sint-Jan en die van Jezus. In de balans die het christendom tussen Jezus en Sint-Jan heeft ingebouwd, zit een aantal overeenkomsten met de heksensabbat van Litha. Jezus is immers de lichtgod, die voor het mannelijke element vuur staat, terwijl Sint-Jan de Doper voor het vrouwelijke element water staat. Litha is in de moderne hekserij het feest waar vuur en water, man en vrouw samenkomen in een heilig huwelijk, het hieros gamos tussen de God en de Godin. Het 'groeiende water' heeft nu haar werk gedaan. Na midzomer stagneert de plantengroei immers. Maar er volgt nu een periode van de rijping in het weldadige vuur van de zon, alvorens tot de oogst kan overgegaan worden.
Water en Vuur, Godin en God komen in de Lithasabbat samen en sluiten een verbond. De speelse jonge God, die met Beltain werd geboren, zal met Litha zijn verantwoordelijkheid voor de Aarde moeten opnemen. Die verantwoordelijkheid wordt gesymboliseerd door het huwelijk tussen beide partijen. Het huwelijk wordt gesymboliseerd door een penetratie, het samensmelten van vuur en water. In de heksensabbat zal een brandende pijl, symbool voor de God, afgevuurd worden, die zal neerdalen in een meer, symbool voor de Godin. Of er wordt een brandende staf in een ketel met water gedoopt. Deze symboliek vinden we ook terug in een aantal volkse gebruiken. Midzomer was de periode waarin de schuttersgilden hun plechtigheden organiseerden. Het schieten met pijl en boog verwijst naar het heilige huwelijk tussen de God en de Godin. In Popprode bij Mülhausen in Thüringen wierpen de meisjes bloemenkransen in het water van een bron. Daarna gooiden de jongens bloemenruikers in de kransen. Ook hier werd het mannelijke (de ruiker) en het vrouwelijke (de krans) samengebacht in een hieros gamos. De heidense oorsprong van het heilige huwelijk tussen water en vuur vinden we eveneens terug in het volkse gezegde het is duveltjes kermis, als het regent (water) terwijl de zon (vuur) schijnt.
Om de zon te eren werden op de heuveltoppen grote vuren ontstoken en net als met Beltain sprongen de mensen over het vuur om geluk en voorspoed af te smeken. Men wikkelde strobussels rond stokken en stak die in brand. Tot het begin van deze eeuw werd dit gebruik nog gevolgd in het Limburgse Herderen-Riemst, waar een stropop, Jan Krediet, werd rondgedragen en 's avonds aan de bron in brand werd gestoken. Ook hier weer komen vuur en water in een heilig huwelijk samen.
In de heksensabbat van Litha worden in de Alexandrijnse traditie twee mythische figuren opgevoerd die de wassende en de afnemende zon voorstellen: de Eikkoning en de Hulstkoning. Op de vooravond van Litha zullen de beide koningen elkaars heerschappij betwisten in een gevecht dat op Litha gewonnen wordt door de heer van de afnemende zon, de Hulstkoning. Na Litha zullen de dagen immers korten. Eenzelfde strijd zal gevoerd worden met Yule, maar dan zal de Eikkoning overwinnen. De balans tussen de beide koningen is noodzakelijk, wil de cyclus van de seizoenen haar ritme behouden.
In de Germaanse mythologie vinden we de thematiek van de twee koningen ook terug in het verhaal van de zonnezoon Baldur (Eikkoning) die op midzomer gedood wordt door de blinde Hodur (Hulstkoning), met een speer van maretak. De maretak staat hier voor het rationele denken, gesymboliseerd door de Hulstkoning. In de heksensabbat worden de heksen dan ook in de Cirkel begroet door een bes van de maretak op het voorhoofd van de deelnemers te drukken.
In Groot-Brittannië is het gebruikelijk om een offermaal van brood, kaas en bier voor de deur te zetten voor de huisgeest. Tijdens midzomernacht kwamen ook de elfen naar buiten. Om hen te kunnen zien, moest je op middernacht het zaad van varens verzamelen en het op je oogleden wrijven. Om niet door de elfen betoverd te worden, nam je best als voorzorg wat wijnruit mee. Wijnruit werd als een erg krachtig kruid beschouwd, dat goed was tegen toverij én hondenbeten, zoals blijkt uit een tekst van Jacob van Maerlandt in Der Naturen Bloeme:
ende die met beten ghevenijnt sijn,
jof van enen verwoeden honde,
stamp Rute in corte stonde
ende leghent op die wonde,
behout di dine ghesonde.
Wijnruit trekt ook geld aan:
fais que tout homme en passant
apporte ici or et argent.
Bij gebrek aan wijnruit kon je ook de hele nacht rondlopen met je broekzakken naar buiten gekeerd om je te beschermen tegen onheil.
De dauw die op Midzomer verzameld werd, was zeer heilzaam tegen oogkwalen en werd ook Sint-Jansdauw genoemd. In sommige streken ging men ook baden in de rivieren en beken. In Voeren wasten de inwoners zich tot het einde van de zeventiende eeuw in het Voerriviertje om zich van een goede gezondheid te verzekeren.
in Vlaanderen en Nederland was het gebruikelijk dat op de vooravond van Litha de krachten van de natuur gebonden werden in de zogenaamde kruidenwis. In vele streken in Europa was het de gewoonte dat vrouwen deze kruiden naakt in de tuin gingen plukken. De tuil werd in de stal of in huis opgehangen of als rookkruid gebruikt om onheil af te weren. De kruiden werden in de bedpan aangestoken en de boer ging dan met de smeulende kruiden het huis en de stallen rond om ze tegen onheil te behoeden. Soms werden deeltjes ervan vermengd in het veevoer als bescherming tegen ziekte.
De kruidenwis bestaat uit zeven tot zevenenzeventig verschillende kruiden. De samenstelling varieert van streek tot streek en het tijdstip waarop er verzameld werd kon eveneens variëren.
Als de wis bestaat uit negen kruiden spreekt men over negenderhandekruiden. Planten als uien, look, Sint-Janskruid, vlier, boerenwormkruid of bijvoet kwamen er bijna overal in voor. Ook rogge, tarwe, gerst en haver werden er vaak in opgenomen. De kruiden werden samengebonden met bitterzoet -een kruid met pijnstillende eigenschappen- of met een lint, dat lang genoeg moest zijn om rond de buik van een koe te binden, als het dier ziek was.
Elk kruid had een bepaalde beschermende kracht. Bijvoet beschermde tegen duivels, geesten, brand en onweer. Als je een stukje in je schoen stak, werd je onvermoeibaar. Onder het hoofdkussen gelegd, verzekerde het voorspellende dromen. Boerenwormkruid had de kwaliteit demonen én wormen te verjagen.
In sommige streken kwam ijzerhard in de wis voor. De link tussen Midzomer en ijzerhard werd ook al gelegd in een elfde-eeuws Angelsaksisch medicinaal geschrift uit de elfde eeuw, de Lacnunga, waar ijzerhard dat geplukt was op Midzomer werd voorgeschreven tegen leverkwalen. IJzerhard werd reeds door de Germanen gebruikt als een magisch kruid dat kracht verleent. Het had ook kwaliteiten als afrodisiacum. Het werd in de volksgeneeskunde gebruikt tegen allerlei kwalen, waaronder kinkhoest, hoofdpijn, verzweringen, pest en epilepsie. In Spanje wordt Litha overigens De Nacht van Verbena genoemd, naar het kruid ijzerhard of verbena. IJzerhard mocht nooit met een ijzeren mes uitgegraven worden, want dan verloor het z'n kracht. Je gebruikte bij voorkeur een gouden mes.
Het christendom heeft de kruidenwis van het paganisme overgenomen. Volgens de christelijke legende is de wis verbonden met Maria, vanzelfsprekend de Moedergodin in vermomming. De apostelen zouden, toen ze het graf van Maria wilden bezoeken, gemerkt hebben dat haar lichaam verdwenen was, en dat er enkel een bos kruiden in het graf lag. De laatste jaren werd het gebruik terug in ere hersteld bij de zogenaamde kruidenwijdingen. In Damme hernam men de kruidenwijdingen in het begin van de jaren '80. Daar worden ze op 15 augustus gehouden. Een van de bekendste kruidenwijdingen gebeurt in Ele aan de Maas. Daar worden traditionele kruiden als boerenwormkruid en bijvoet gewijd door de pastoor. In Leenderkerke, net over de Nederlandse grens, gebeurt de kruidenwijding op midzomer of Sint-Jan.
Sint-Janskruid kwam eveneens in de wis voor, maar was ook zeer geliefd bij jonge meisjes die het plukten in de hoop om een minnaar te vinden. Het kruid werd ook verwerkt in kransen en kronen, samen met notentakken, waaronder cirkeldansen werden uitgevoerd. In sommige streken van Europa gingen de meisjes op Mizomernacht zwijgend naar de vlier om aan de boomfee Frigga te vragen wie hun echtgenoot zou worden. In Vlaanderen plukten meisjes een vlierbloesemtwijgje en hingen dat achter hun bed om te kunnen dromen van hun toekomstige minnaar.
Tijdens de sabbat in de Greencraftwicca worden de heksen door de hogepriesteres en de hogepriester verwelkomd met een bes van de maretak die op hun voorhoofd wordt gedrukt. De hogepriesteres wijdt de mannen, de hogepriester de vrouwen terwijl ze zeggen:
Daarna worden in de vier windrichtingen de kaarsen aangestoken en trekt de hogepriesters de Cirkel. De hogepriester roept de Wachters van de Vier Windrichtingen op en samen wijden ze water en zout. De Cirkel wordt nu gewijd met de vier elementen.
In het midden van de Cirkel zitten vier heksen klaar voor de antifonale chant:
Z: Het is de nacht van Litha, de Zomerzonnewende.
O: Wat betekent deze nacht?
W: Het is de terugkeer van de Hulstkoning.
N: Wat ziet gij onder de Vlier, langs de Rivier van de Dood?
Z: Een Ram op weg naar het koninkrijk van de Hulst.
O: Van wie nemen we afscheid na dit feest van de Zonnewende?
W: Van de Eikkoning, de Koning van de wassende zon.
N: Waaraan herkennen we elkaar deze nacht?
Z: We scharen ons om de Berk, het machtige Vuur van de Zon. Een Lynx houdt er de wacht.
O: Wie helpt ons?
W: De Keizerin van het Koren.
N: Wie is de Keizerin?
Z: Zij is Amaranth. Zij is Vruchtbaarheid en Overvloed. Haar troon staat in het Zuiden. Zij regeert over het koninkrijk van de Zomer. Zij is het begin en het einde aller dingen.
O: Wie is deze Godin?
W: Zij is de stralende Maagd, de duistere Oude, de Moeder van de Tijd.
N: Waar is onze Godin?
Z: Zij is in ons hart in alle seizoenen van het rondwentelende jaar.
O: Wie is Zij?
W: Zij is Cerridwen. Van Haar is de Ketel van Overvloed.
In de Cirkel staan twee ketels, de ketel van de zon, waarin een rode kaars staat, en de ketel van de maan, waarin water zit. Ze vertegenwoordigen het mannelijke (de God) en het vrouwelijke (de Godin) aspect die met Litha in het heilige huwelijk samenkomen. De hogepriester ontsteekt eerst de rode kaars, in de ketel van de zon, terwijl de hogepriesteres zegt: "Heil Helios. Heil Zonnevuur. Heil"
Nu worden de twee koningen, de Eikkoning van de wassende zon, en de Hulstkoning van de afnemende zon, geëvoceerd. De hogepriester ontsteekt met het vuur van de zon uit de centrale ketel een kaars voor de de Eikkoning terwijl een priesteres een kroon van eikebladeren boven de brandende kaars houdt. De brandende kaars wordt op het altaar gezet en de hogepriesteres zegt: "Heil Kracht van de Eik. Heil Vuur van de Bliksem."
Nu ontsteekt de hogepriester vanuit de zon de kaars voor de Hulstkoning, terwijl een priesteres de kroon van hulstbladeren boven de kaars houdt. Ook deze kaars wordt op het altaar gezet en de hogepriesteres zegt nu: "Heil Kracht van de Hulst. Heil Vuur van Inzicht door Strijd."
De hogepriesteres neemt nu plaats naast de ketel van de Maan, die gevuld is met water, en roept de Eikkoning tot bij haar. Terwijl ze hem kroont zegt ze: "Gij zijt de Eikkoning, Heer van de wassende Zon."
Hierna neemt de Eikkoning zijn plaats in naast het altaar. De hogepriesteres wenkt nu de Hulstkoning en kroont hem, met de woorden: "Gij zijt de Hulstkoning, Heer van de afnemende Zon."
De Hulstkoning gaat aan de andere zijde van het altaar staan. En de hogepriesteres zegt nu:
De twee koningen gaan nu met elkaar een gevecht aan. Vanzelfsprekend wint de Hulstkoning deze symbolische strijd. Als hij de Eikkoning verslagen heeft, zegt hij: "Voor de Kracht van Inzicht door Strijd, wijkt de Eik."
De Eikkoning wordt nu geblinddoekt -- symbool voor het afnemende licht -- en geknield naast de ketel van de Zon geplaatst.
De hogepriesteres danst nu klokgewijs of deosil, athame en tamboerijn in de hand, rond de ketel van de Zon en de geblinddoekte, knielende Eikkoning. De hogepriester zingt nu het volgende lied:
Rondi rondel ronda
De strijd heeft hem beloond
Rondi rondel ronda
De Hulst moet nu regeren
Rondi rondel ronda
Tot het Licht zal keren
rondi rondel ronda
De Eik die is verslagen
rondi rondel ronda
Bij 't korten van de dagen
Rondi rondel ronda
Een half jaar zal hij slapen
Rondi rondel ronda
Om dan weer te ontwaken
Rondi rondel ronda
Want leven baart de dood
En dood schenkt weer het leven
Voor 't dagelijkse brood
moet 't graan z'n leven geven
Rondi rondel ronda
De Hulst die is de Koning
rondi rondel ronda
die zorgt voor de beloning
rondi rondel ronda
Van 't hoeden in de wei
en ploegen in het slijk
tijdens de heerschappij
van zijn broer de Eik
Rondi rondel ronda
De nachten zullen lengen
rondi rondel ronda
zullen ons koude brengen
Rondi rondel ronda
Tot de Hulst zal sterven
Bij 't lengen van de dagen
De Eik zijn kracht zal erven
En de kroon zal dragen
Rondi rondel ronda
De Eikkoning wordt, nog steeds geblinddoekt, naar het Westen gebracht en knielt daar neer. De hogepriester zegt:
De hogepriesteres antwoordt: "Heil de wassende Zon. Heil de Kracht van de Eik. Heil en Vaarwel."
Alle aanwezigen zeggen: "Heil en Vaarwel."
De hogepriester steekt nu met de rode kaars van de zon een grote ketel met vuur aan en zegt: "Dat het Midzomervuur brande."
De hogepriester en de hogepriesteres gaan tegenover elkaar staan, de ketel met vuur tussen hen in. De hogepriesteres trekt een vuurpentagram over de hogepriester en zegt:
Een priester brengt de ketel van de Maan naar de hogepriesteres. De hogepriester trekt nu een waterpentagram over de hogepriesteres, terwijl hij zegt:
De hogepriester houdt nu de staf boven de ketel van de maan en voert de symbolische Grote Rite uit, met de woorden: "De speer tot de ketel, de lans tot de graal, geest tot lichaam, man tot vrouw, zon tot aarde."
De hogepriesteres doopt nu een berkentak, symbool voor de zon, in de ketel met water en slaat er één vóór één de covenleden mee op de borst, terwijl ze zegt: "Uit de Hemel, het Vuur, op de Wateren der Aarde."
Nu wordt de ketel van de Maan naast de ketel van de Zon geplaatst en de hogepriesteres nodigt iedereen uit om de oude kruidenwis te verbranden. Iedere heks heeft de dag voordien een nieuwe kruidenwis geplukt. De oude kruidenwis wordt verbrand in de ketel van de Zon, de nieuwe kruidenwis wordt gewijd in de ketel van de Maan. Daarna zegt de hogepriesteres:
Onder leiding van de hogepriesteres danst iedereen deosil rond de twee ketels.
Er wordt nu afscheid genomen van de Hulstkoning. De hogepriesteres zegt:
Iedereen herhaalt: "Heil en Vaarwel."
Er wordt afscheid genomen van de windrichtingen en de Cirkel wordt verbroken. De heksen trekken nu meestal naar een afgelegen meer of riviertje in de omgeving. Soms wordt het ritueel ook aan het meer gehouden. Aan de rand van het meer wordt een brandende pijl hoog in de lucht geschoten. De pijl zal in het water terechtkomen en zo de eenheid van de God en de Godin symboliseren.
Alle teksten uit ABRACADABRA - lexicon van de moderne hekserij: © Jan de Zutter
