hekserij
Ondanks het feit dat hekserij van alle tijden en alle culturen is, bestaat er geen eenduidige definitie voor het begrip. Met hekserij worden allerlei praktijken bedoeld, gaande van tovenarij, magie, sjamanisme, kruidenkunde, naar duivelverering en religie. Hekserij kan zowel positieve als negatieve connotaties hebben, naargelang de cultuur en de periode waarin het woord gebruikt wordt. De Afrikaanse heks, de vroeg middeleeuwse heks, de heks uit de christelijke demonologie, de heks uit de spookjes en de neopaganistische of moderne heks, zijn zeer verschillende figuren.
Over het algemeen wordt West-Europese hekserij onderverdeeld in drie types: de eenvoudige tovenarij, waarbij mannen of vrouwen vormen van natuurmagie beoefenen; de diabolische hekserij uit de periode van de heksenprocessen en de moderne hekserij, die een vorm van natuurreligie belijdt. In dit boek behandel ik enkel de Europese vormen van hekserij. De geschiedenis van de moderne hekserij bespreek ik onder het trefwoord Wicca.
Tussen 1500 en 1700 had het begrip hekserij een duidelijke betekenis. Martin del Rio omschrijft het in 1599 als volgt:
Hekserij bestond voor theologen, advocaten en rechters uit een pact met de duivel en was dus ketterij. Maar hekserij is in Europa niet altijd ketterij geweest. Gedurende de eerste dertien eeuwen van onze jaartelling werd hekserij beschouwd als een vorm van onschuldige tovenarij die vaak oogluikend werd toegelaten. Hekserij als tovenarij was een overblijfsel uit het paganisme, waarbij, door het beoefenen van de magie, de mens controle probeerde uit te oefenen op de natuurverschijnselen. Tovenarij hield zich bezig met bezweringen, voorspellingen, genezingen of rituelen die de vruchtbaarheid van de velden, het vee en de dorpsgemeenschap moesten verzekeren.
De Canon Episcopi, een Frankisch dokument uit het begin van de tiende eeuw, veroordeelde reeds deze overblijfselen van paganistische gebruiken. Volgens de Canon reden boosaardige vrouwen bij nacht op de rug van beesten met Diana,. De tekst verwijst naar de paganistische Wilde Jacht, het geloof dat horden geesten 's nachts door het luchtruim raasden in het gevolg van een of andere God.
Voor hekserij kon men tot en met de dertiende eeuw enkel de doodstraf krijgen als duidelijk werd aangetoond dat er ernstige schade was berokkend. Zolang de tovenarij onschuldig was, werd ze niet eens als iets ongewoons beschouwd. Oude kerkelijke geschriften bulkten immers ook van christelijke magie. Heiligen verrichtten zelf wonderen die het 'gewone begripsvermogen van de mens te boven gingen'. Zolang deze wonderen gebeurden met de hulp van God, en niet met die van een demon, was de kous af.
Het christelijke geloof in boosaardige demonen heeft talrijke voorlopers. De Grieken geloofden dat tovenaars de hulp van daimones of daimonioi inriepen. Het Hebreeuwse geloof ontwikkelde een gelijkaardig gedachtengoed, waarbij de krachten kwamen van de mal'akh, aanvankelijk manifestaties van de macht van God, later onafhankelijke geesten. In de Griekse vertaling werd mal'akh angelos of boodschapper. Deze engelen waren, net zoals de daimones, wezens die zich in rangorde bevonden tussen goden en mensen. De christelijke engelen werden later verdeeld in twee categorieën: goede engelen, die ten dienste stonden van God, en afvalligen, onder leiding van Satan. Deze dualiteit tussen goed en kwaad zou eveneens aan de basis liggen van de heksenvervolgingen. Tovenarij ging, in het christelijke gedachtengoed, gebruik maken van de boze engelen of demonen, om resultaten te boeken.
In het midden van de veertiende eeuw veranderde het begrip hekserij van betekenis en ontwikkelde het zich van tovenarij naar ketterij. Ook hier zijn reeds vroegere tekenen te vinden. Het eerste proces tegen ketters in 1022 in Orleans maakt melding van nachtelijke orgieën, het oproepen van boze geesten, het doden en verbranden van kinderen die verwekt waren bij eerdere orgieën, en het vereren van de Duivel. Al deze elementen zouden later terugkomen in de processen tegen vermeende heksen. Dergelijke beschuldigingen waren al in de tweede eeuw van onze jaartelling geuit tegen de joden aan het hof van Antiochus IV Epiphanes, door de romeinen tegen de christenen en door de vroege christenen tegen de gnostici. Vanaf de twaalfde eeuw werden dezelfde argumenten gebruikt tegen de Catharen, een dualistische 'ketterij' die geloofde dat de materie, en dus het aardse bestaan, de schepping was van een boosaardige godheid, de duivel.
Het geloof in het bestaan van de duivel nam steeds toe, ondermeer onder invloed van de scholastiek, tussen 1200 en 1400. Voor de scholastici waren tovenaars de dienaars van Satan. Christenen maakten immers deel uit van het mystieke lichaam van God op de Aarde en bijgevolg moest iedereen die geen christen was, deel uitmaken van het mystieke lichaam van Satan, zowel paganisten, joden als ketters. Zo groeide langzaam het idee van een grootschalig pact met de duivel.
In de dertiende eeuw zou ook de Aristoteliaanse filosofie de overhand krijgen op het neoplatonische denken, dat aannam dat natuurmagie neutraal van aard was. De Aristoteliaanse filosofie aanvaardde het bestaan van een neutrale magie niet. Magie kon enkel goddelijk of demonisch zijn, wat betekende dat er ook een ketterse magie bestond.
De laatste genadeslag voor vermeende heksen was de Inquisitie, de katholieke rechtbank, belast met het vervolgen van religieuze afvalligheid, die in het begin van de twaalfde eeuw werd opgericht. De Inquisitie werd sinds 1233 geleid door de Dominicanen en stond onder direct toezicht van de paus. In 1252 kreeg de Inquisitie van paus Innocentius IV de toelating om te folteren en in 1258 breidde paus Alexander IV de bevoegdheid van de Inquisitie uit naar de vervolging van alle vormen van tovenarij die in tegenspraak waren met het geloof. In 1320 stond paus Johannes XXII toe dat elke vorm van tovenarij als ketterij kon behandeld worden.
De straffen voor ketterij waren oneindig veel zwaarder dan de veroordelingen die tovenaars en tovernaressen opliepen voor de veertiende eeuw, en die meestal beperkt bleven tot een geldboete, een gevangenisstraf of verbanning.
De eerste grote heksenprocessen deden zich voor in het midden van de veertiende eeuw in Toulouse en Carcasonne, waar 600 mensen op de brandstapel terecht kwamen op beschuldiging van ketterij.
De allergrootste gruwel die de Inquisitie creëerde was de Malleus Maleficarum uit 1486, geschreven door Heinrich Kramer en Jacob Sprenger in opdracht van paus Innocentius VIII. Het boek omschreef precies wat hekserij inhield en bepaalde zelfs dat het niet geloven in hekserij een vorm van ketterij was. Het concept dat de wereld bedreigd werd door heksen en dat heksen daarom genadeloos moesten vervolgd worden, verspreidde zich over heel Europa en werd ook door het protestantisme overgenomen. Martin Luther noemde heksen in 1522 de "hoeren van de duivel" en bekloeg zich erover dat de rechtbanken zoveel bewijzen vroegen om heksen te veroordelen. Ook de burgerlijke rechtbanken hielden zich nu druk bezig met het vervolgen van heksen. Enkele verlichte geesten zoals Johan Weyer (1563) en Reginald Scott (1584) verzetten zich tegen de christelijke waanzin, maar moesten dit zelf bekopen met vervolging.
Heksenprocessen startten meestal op basis van beschuldigingen van tovenarij, maar op de pijnbank bekenden de beschuldigden algauw dat ze een pact hadden gesloten met de duivel, deel hadden genomen aan sabbats en allerlei ondenkbare misdaden hadden begaan. De meest ontroerende illustratie van deze waanzin is de brief die de van hekserij beschuldigde Johannes Junius uit de gevangenis wist te smokkelen en die bewaard is gebleven.
Honderdduizenden mensen werden vervolgd en miljoenen werden geïntimideerd door een terreur die zou duren tot het einde van de zeventiende eeuw, toen de ontwikkeling van de positieve wetenschap het geloof in hekserij stilaan deed afzwakken. De laatste vermeende heksen werden geëxecuteerd in 1684 in Engeland, in 1692 in Amerika, in 1727 in Schotland in 1745 in Frankrijk en 1775 in Duitsland.
Een merkwaardig heksenproces deed zich nog voor in Vlaanderen in 1950. Hier werden de zaken echter omgedraaid. Een vrouw uit Dessel werd voor dorpsgenoten beschuldigd van hekserij en stapte naar de rechter. Diegenen die haar beschuldigd hadden, werden veroordeeld tot het betalen van geldboetes.
Hoeveel heksen er in Europa veroordeeld zijn, is onduidelijk. De cijfers variëren van 200.000 tot tien miljoen. Volgens de feministische auteur Andrea Dworkin (in Intercourse, 1987) werden er 9 miljoen vrouwen vermoord tijdens de heksenvervolgingen. Brian Levack schat in The Witch-Hunt in Early Modern Europe (1987) het aantal beschuldigingen op 110.000 en het aantal executies op 60.000. Zijn gegevens zijn wellicht onderschat, maar liggen volgens de meeste hedendaagse historici dichter bij de realiteit dan het cijfer van 9 miljoen. Anne Llewellyn Barstow schat in Witchcraze het aantal veroordeelden op het dubbele, ongeveer 100.000.
Verschillende auteurs hebben gezocht naar de redenen voor de heksenwaanzin. Vanzelfsprekend is er niet één reden voor de heksenvervolgingen. Sociale, religieuze, politieke en economische oorzaken liggen samen aan de basis van de heksenwaanzin.
Ontegensprekelijk is er een element van misogynie aanwezig. Afhankelijk van het bronnenmateriaal kan gesteld worden dat 80 procent van de beschuldigden en 85 procent van de veroordeelde vrouwen waren. In sommige streken lagen die cijfers nog hoger. In Namen in het huidige België waren 93 procent van de beschuldigden vrouwen. Vrouwen moeten op een op andere manier een bedreiging hebben gevormd voor de patriarchale maatschappij die Europa ondertussen geworden was.
Een van de redenen voor de heksenvervolgingen waren ontegensprekelijk de sociale onrusten. De pest had in 1348, in een periode van economische crisis en sociale onrust, de Europese bevolking gedecimeerd. Vrouwen leken echter beter bestand tegen de pest dan mannen, zodat zij vaak de eigendommen van hun overleden echtgenoten erfden, wat resulteerde in de jaloezie van hun mannelijke buren.
In het midden van de zestiende eeuw kwam Europa opnieuw in een economische crisis terecht. Overbevolking leidde tot werkloosheid, honger en een algemene stijging van de criminaliteit. Sociale spanningen werden ditmaal niet opgelost door de genadeloze pest, maar door de heksenprocessen. Vooral de arme bevolking werd gezien als de oorzaak van de onrusten en dus als de schuldigen aan de recessie. Uit analyse van de heksenprocessen blijkt dan ook dat het merendeel van de beschuldigden arm was.
Diverse auteurs brengen de ontwikkeling van het Europese kapitalisme in de zestiende eeuw aan als een van de oorzaken van de heksenvervolgingen. In een concurrentieel systeem, waarbij goedkope arbeidskrachten belangrijk waren om de economie draaiende te houden, was de onafhankelijke professionele activiteit van vrouwen bedreigend. Uit de processen blijkt dat vrouwen die geen echtgenoot, broer of zoon hadden, een groter doelwit van de vervolgingen waren, wellicht om zo hun eigendommen te kunnen bemachtigen. Dat vrouwen die eigendommen hadden, niet erg geapprecieerd werden, blijkt uit de zaak van de rijke weduwe Katherine Harrison, die in het zeventiende-eeuwse New Engeland van hekserij beschuldigd werd omdat ze niet hertrouwde, en dus verhinderde dat een man haar bezittingen zou erven.
Het nieuwe kapitalistische systeem noodzaakte een grotere specialisatie in economische activiteit, maar het werd vrouwen verboden op die specialisatie in te spelen. Ze mochten niet actief zijn als onafhankelijke ambachtsvrouw in een gilde, en werden dus verplicht om hun thuis gemaakte goederen op markten te verkopen. In Duitsland werd echter in de zestiende eeuw de verkoop van ambachtelijke goederen op markten verboden, zodat vrouwen enkel nog slecht betaalde loonarbeid konden verrichten. Nog in Duitsland werd het aan de weduwen van meester-ambachtslui verboden om het ambacht van hun overleden echtgenoot verder te zetten. Veel van deze vrouwen kwamen in armoede terecht en waren op de bedelstaf aangewezen. Precies deze vrouwen werden ook van hekserij beschuldigd.
Een andere belangrijke activiteit van vrouwen was de geneeskunst en de magie. Vrouwen waren genezeressen of vroedvrouwen en voerden abortussen uit; ze leverden zalven en kruiden, voorspelden de toekomst, bemiddelden tussen rivaliserende buren en gebruikten soms toverformules. Vrouwen werden dus vaak manipulerende krachten toegedicht, en die gingen langzaam een bedreiging vormen. Het aantal genezeressen en genezers in de annalen van de Vlaamse heksenprocessen tussen 1572 en 1739 is verbluffend hoog. Ze werden beschuldigd van het gebruik van kruiden, het genezen van kinderen met behulp van geesten, het genezen van dieren, de samenwerking met 'Egyptische' vrouwen (waarmee wellicht zigeuners bedoeld worden), waarzeggerij en bijgelovige activiteiten. Een voorbeeld illustreert de 'ernst' van de zaken: In 1633 werd Catharina van Linters uit Tienen vervolgd omdat ze "een kind had genezen door het uitspreken van onbegrijpelijke woorden en door een blad van de vlierboom op zijn voorhoofd te leggen."
Dergelijke vrouwen, en vaak ook mannen, beoefenden volksmagie, die door de dorpelingen als positief werd ervaren. In 1614 getuigde de Italiaanse Francheschina, een klant van een zekere Lucia, 'de heks van Ghia', dat ze wel wist "dat het een zonde was om naar dergelijke vrouwen te gaan," maar ze voegde er aan toe: "Ik geloof niet dat zij een heks is, want zij straft heksen." Lucia werd dus gezien als iemand die optrad tegen kwade invloeden van vermeende heksen.
Volksmagie werd niet enkel door de wijze vrouwen en mannen uit het dorp beoefend, maar eveneens door priesters en dokters. Priesters deden aan duiveluitdrijving door de bezetenen te besprenkelen met wijwater, door met belletjes te rinkelen of door amuletten te maken. Dit maakt duidelijk dat de wijze mannen en vrouwen in werkelijkheid de concurrenten waren van priesters en dokters, concurrenten die makkelijk konden uitgeschakeld worden door hen van hekserij te beschuldigen.
Dat vrouwen het grootste slachtoffer werden, had ook te maken met hun macht over seks. Vrouwen leverden remedies tegen impotentie, brouwden liefdesdrankjes, begeleidden zwangerschappen, hielpen bij bevallingen, leverden voorbehoedsmiddelen, voerden abortussen uit en adviseerden over de verzorging van baby's en kinderen.
De bevolking riep bij de geboorte van kinderen eerder de hulp in van wijze vrouwen dan van een priester -die niet bij de geboorte mocht aanwezig zijn,-of van een dokter. Het sterftecijfer bij kinderen die ter wereld werden gebracht door dokters lag ook hoger dan dat bij wijze vrouwen. Waarschijnlijk lag de standaard van hygiëne bij wijze vrouwen hoger dan bij dokters en bovendien kwamen dokters meer in contact met besmettelijke ziekten dan de vroedvrouwen die zich specialiseerden in bevallingen.
De controle van vrouwen over de geboorte van kinderen was eveneens bedreigend, omdat zij pasgeborenen eerder in handen kregen dan de parochiepriester. In de gestoorde geesten van de kerkvaderen betekende dit dat ze de mogelijkheid hadden om deze kinderen over te leveren aan de duivel vooraleer ze gedoopt konden worden.
Het succes van de wijze vrouwen en mannen deed hen uiteindelijk de das om. "Wie het goede kan, kan het kwade," was in Vlaanderen een gekende volkswijsheid en de wijze mannen en vrouwen werden dus evenzeer gerespecteerd als gevreesd. De kerk maakte daar handig gebruik van om de genezende praktijken van de wijzen in verband te brengen met de macht van Satan. Dat resulteerde uiteindelijk in een veroordeling van alle genezers, of ze nu goed of kwaad deden, want "zij ontkennen God, en spannen samen met de Duivel."
De verslagen van de heksenpocessen wijzen vaak op een nauwgezet lichamelijk onderzoek van vrouwenlichamen, waarbij op elk deel van het lichaam gespeurd werd naar de sporen van de duivel. In de schaamdelen vond men vaak sporen, knobbeltjes, puistjes of wat dan ook, die door de duivel waren aangebracht. Vrouwen moesten op de pijnbank bekennen dat ze plukken schaamhaar aan de duivel hadden geschonken. In hun cel werden vrouwen vaak het slachtoffer van verkrachting, zoals blijkt uit de procesverslagen. In sommige verslagen worden de woorden heks en hoer door elkaar gebruikt, alsof ze hetzelfde betekenden.
Het is moeilijk om niet te besluiten dat er een verband is tussen heksenprocessen en seksualiteit. De rechters waren vaak bijzonder geïnteresseerd in het seksleven van de verdachten. In de Ardennen werden de heksen van Sugny in 1657 niet enkel ondervraagd over hun seksuele avonturen met de duivel, maar ook over het seksleven met hun echtgenotes. Feministische auteurs concluderen dat de heksenvervolgingen ook een georganiseerde vorm van pornografisch voyeurisme en seksueel misbruik was ten behoeve van mannen.
De fantasieën over de vermeende sabbats die de Inquisiteurs en rechters erop na hielden waren louter van seksuele aard. Duivelverering ging er in elk geval gepaard met erotiek, gaande van orgiastische feesten, naakte danspartijen, het kussen van het achterwerk van de duivel, copuleren met de duivel of met demonen, met andere mannen en vrouwen. De Malleus Maleficarum bevestigt dat "alle hekserij voortspruit uit vleselijke lusten, die bij vrouwen onverzadigbaar zijn." Het geloof dat vrouwen oversekst zijn, vinden we terug in een oud Baskisch gezegde dat luidt: "Un coq suffit a dix poules, mais dix hommes ne suffisent pas a une femme." (Een haan is voldoende voor tien kippen, maar tien mannen zijn niet voldoende voor een vrouw.) Vooral oudere vrouwen en weduwen werden als onverzadigbaar beschouwd en daarom geloofde men dat hun lusten enkel nog door bovennatuurlijke wezens konden bevredigd worden. Deze angst kwam mogelijk voort uit het contrast tussen de realiteit van seksueel actieve oudere vrouwen en de leer van de kerk dat seks enkel de voortplanting tot doel had. Daarom was de seksualiteit van oudere vrouwen verdacht.
Even verdacht was het plezier dat heksen hadden in de vermeende gemeenschap met de duivel. In alle processen wordt het geslachtsdeel van de duivel omschreven als "hard en koud als ijs", soms "geschubd", en het zaad van de duivel was eveneens "koud". Veel reden tot plezier was er niet en toch genoten de heksen ervan. De verantwoordelijkheid voor hun seksuele genot lag dus niet zozeer bij de kwaliteiten van de duivel als minnaar, maar bij de vrouwen zelf, zo concludeerden de kerkvaderen.
Met deze overwegingen in het achterhoofd, gaan sommige auteurs er dan ook van uit dat de heksenprocessen een georganiseerde jacht waren op vrouwen, met de bedoeling hen te controleren, hun economische en politieke mogelijkheden te onderdrukken en hun seksueel te misbruiken.
Alle teksten uit ABRACADABRA - lexicon van de moderne hekserij: © Jan de Zutter
