heks
De moderne hekserij of Wicca heeft het niet makkelijk om aan buitenstaanders uit te leggen waarom ze een beladen woord als heks of hekserij gebruiken om hun religie aan te duiden. Heksen worden nog steeds in verband gebracht met enge oude vrouwen, die gevaarlijke papjes brouwen met het vet van ongedoopte kindertjes, en op geregelde tijdstippen samenkomen om te paren met de duivel. De vele sprookjes waarin de heks een kwaadaardige verschijning is die rondsjokt met giftige appels of kinderen lokt naar peperkoeken huisjes, wijst op een diepgewortelde angst voor heksen.
Nochtans blijven heksen deze naam gebruiken, deels uit solidariteit met de honderdduizenden onschuldige slachtoffers van de heksenverbrandingen, en dus als protest tegen religieuze intolerantie, maar ook omwille van het verband dat het woord legt met de angst voor machtige vrouwen. De 'boosaardige' heksen uit de sprookjes waren immers steeds vrouwen met bijzondere gaven. Wie schrik had voor een heks, had in werkelijkheid schrik voor een machtige vrouw. Twintigste-eeuwse vrouwelijke heksen hebben het beeld van de heks dan ook gebruikt in hun maatschappelijke emancipatiestrijd. In 1968 werd in de VS een vrouwenbeweging gesticht die zich W.I.T.C.H. (Woman's International Terrorist Conspiracy from Hell) noemde. W.I.T.C.H. was een politieke, feministische actiegroep, met een beperkte interesse voor het spirituele. Als dusdanig had de beweging weinig te maken met de moderne hekserij, maar ze maakte het verband tussen hekserij en de erkenning van de rechten en de macht van vrouwen duidelijk.
Het Nederlandse woord heks gaat terug op het Middelnederlandse hexe. Het is een dialectwoord dat pas laat ingang heeft gevonden in de gewone omgangstaal, met name in het midden van de zeventiende eeuw. In de oude heksenprocessen komt het woord nagenoeg niet voor en spreekt men van tovenaars of toveressen, genezers of waarzeggers.
Hexe is verwant met het Middelnederlandse hagetisse of haechdisse, dat zowel heks als hagedis kan betekenen. Een hagetisse is iemand die op een hek of een haag rijdt. Hetzelfde woord vindt men terug in het Nederduits als walriderske, in het Oudsaksisch als tunrida of het Oudduits als zunrita.
De haag of het hek staat voor de scheidingslijn tussen de werelden. De heks was weliswaar iemand die in deze wereld leefde, maar eveneens de kennis bezat om de wereld van geesten en goden te bezoeken. Zij of hij reed als het ware op de haag tussen deze twee werelden, het ene been in onze wereld, het andere been in de ongekende wereld.
De haag waarover sprake, is wellicht de meidoorn die in Europa vaak als omhegging werd aangeplant, zoals blijkt uit de benaming hagedoorn en het Oudengelse Hagathorn dat nu Hawthorn is geworden. De meidoorn is de godinnenboom bij uitstek. Met haar overvloed aan trossen witte bloemen is ze het symbool van de zuiverheid en van de hogepriesteres in de heksencoven. In de gekerstende versie was de boom aan Maria gewijd en sprak men van Mariadoornen.
De bloesems van de boom werden op Beltain (1 mei) aan de meiboom gehangen en de Meikoningin, die op die dag werd verkozen, droeg vaak een kroon van meidoornbloesem.
In de folklore wordt de boom vaak met heksen in verband gebracht. Heksen konden ook de doornen van de meidoorn van op grote afstand op iemand afschieten. Wie geraakt werd door zo'n doorn, voelde een stekende pijn, die in Duitsland Hexenschuss werd genoemd.
Hagadessa, hagedessa of hagetisse is nu nog steeds de naam die sommige Vlaamse heksen gebruiken. De Hagedessagroep van Fik Seymus is wellicht het bekendste voorbeeld.
Wicca en het Engelse woord witch zijn gebaseerd op het Oudengelse wicce (heks) en wicca (tovenaar). Op hun beurt verwijzen deze woorden naar de Indo-europese stam weik die vaak teruggevonden wordt in woorden met magische of religieuze connotaties. In het Oudengels betekent wigle voorspellen of schouwen en wiccian, het uitspreken van een toverspreuk. Weik betekent buigen of (om)winden. Ook het Nederlandse woord wilg of het zweedse viker (wilgentwijg) komt van dezelfde stam, verwijzend naar de buigzaamheid van het hout. De Germaanse stam wik verwijst eveneens naar buigen, wat we terugvinden in het Nederlandse wikken en wegen of in het Oudnoorse vikja, wat ook buigen betekent. In de magische vorm zou het kunnen gaan om het verbuigen of ombuigen van de werkelijkheid. Diezelfde buigzame eigenschappen vinden we terug in het Nederlandse woord week (zacht).
Gerald Gardner, vader van de moderne hekserij, geeft in zijn boek The Meaning of Witchcraft (1959) een andere verklaring voor Wicca. In zijn twee eerdere boeken over hekserij Witchcraft Today (1954) en High Magic's Aid (1949), komt het woord Wicca zelfs niet voor. Volgens Gardner is Wicca afgeleid van het Saksisch. De Saksen vormden het woord uit de stam wig (afgodsbeeld) en laer (leren). Wiglaer zou dan afgekort zijn tot Wicca. In het Nederlands kennen we de wichelaar die, zo blijkt uit de verslagen van de heksenprocessen, vaak van hekserij werd beschuldigd.
Alle teksten uit ABRACADABRA - lexicon van de moderne hekserij: © Jan de Zutter