Groene Man
Overal in Europa komt de figuur van de Groene Man voor, een paganistische vegetatiegod wiens afbeelding op gebouwen, meubels of gebruiksvoorwerpen stond of die figureerde in volksfeesten, optochten en ceremonieën. In Groot-Brittannië wordt hij Jack-in-the-Green, Green Jack of Green George genoemd, in het Nederlands staat hij bekend als de Wildeman. Meestal wordt hij voorgesteld als een gehoornde man uit wiens hoofd bladeren ontspruiten.
Over de oorsprong van de Groene man is weinig bekend. De naam Groene Man werd hem gegeven in 1939 door Lady Raglan die over de figuur een artikel schreef voor het tijdschrift Folklore. De naam werd overgenomen door de toonaangevende architectuurhistoricus Nicolas Pevsner en is sindsdien gemeengoed geworden. Lady Raglan ging er van uit dat de Groene Man een overblijfsel was uit een paganistisch verleden. Hij zou het symbool zijn van dood en wedergeboorte, zoals die zich ook manifesteert in het afsterven van bladeren in de winter en het openbarsten van de knoppen in de lente. Hij herinnert ons aan de onverbreekbare band tussen de mens en het plantenrijk.
Volgens de theorie van Raglan vindt deze paganistische God van bossen en wouden zijn oorspong in de oude vegetatiegoden zoals Osiris of Tammus en -dichter bij huis- Dionysos en Cernunnos. Hij zou het christendom glansrijk overleefd hebben door zich te verbergen tussen de ribgewelven van de gotische kathedralen, als tussen de versteende takken van de oude heilige wouden.
Raglans theorie is gebaseerd op de bomenverering van de Germanen en de Kelten. Alhoewel christelijke missionarissen zoals St.-Amandus, St.-Bonifatius of Saint-Martin de Tours getracht hadden de bomenverering te verbieden, zou het volk gehecht zijn gebleven aan de vegetatiegod.
De theorie van Raglan werd echter in 1978 weerlegd door Kathleen Basford. Deze historica toonde aan dat de Groene mannen voornamelijk voorkwamen in de periode tussen 1300 en 1500 waarin voorchristelijke religies al lang uitgestorven waren. Het is meer dan onwaarschijnlijk dat heidense goden in die periode openlijk zouden kunnen aangebracht worden op kerkgebouwen.
Alhoewel er prototypes bestaan van de Groene mannen in de Romeinse kunst, zijn de gelaatsuitdrukkingen van de Middeleeuwse groene mannen veel bedreigender en demonischer dan die van hun voorgangers. Ze reflecteren geenszins de zachtaardige natuurgeesten voor wie ze later werden gehouden. Basford gaat er van uit dat de Groene mannen christelijke voorstellingen zijn van een bedreigende en chaotische natuur, van boosaardige geesten. In die context is het interessant te vermelden dat door sommige middeleeuwse auteurs bladeren in verband werden gebracht met de ‘zonden des vlees’.
Alle teksten uit ABRACADABRA - lexicon van de moderne hekserij: © Jan de Zutter
