Eikkoning en Hulstkoning
Tijdens de seizoenfeesten van midzomer (21 juni) en midwinter (21 december) werd op de Britse eilanden traditioneel een symbolische tweekamp georganiseerd tussen twee mythische figuren die respectievelijk de wassende en afnemende zon vertegenwoordigen: de Eikkoning en de Hulstkoning. In verschillende moderne heksentradities worden deze gevechten op de Litha- en Yulesabbat opnieuw uitgevoerd.
De Eikkoning staat symbool voor de wassende zon, die regeert van midwinter tot midzomer. Hij vertegenwoordigt de groeikrachten van de natuur, die nieuw leven schenken. De Eik werd in de meeste Indo-europese pantheons met de oppergod verbonden. De boom van de Griekse Zeus, de Romeinse Jupiter, de Keltische Dagda of Cernunnos en de Germaanse oppergod Wodan, de dondergod Donar of Thor was de eik. De eik was daarom de godenboom bij uitstek. Hij wordt vooral in verband gebracht met de Keltische druïden die hun rituelen hielden in heilige eikenbossen. Dergelijke bossen bleven hun functie van verzamelplaats behouden tot in de zeventiende eeuw, alhoewel ze tegen die tijd hun religieuze functie verloren hadden. Dergelijke heilige bossen worden vaak aangeduid met het toponiem loo, zoals Lo, Tessenderlo, Tongerlo, Waterloo of de Nederlandse gemeenten Otterlo of Heiloo, dat in de elfde eeuw nog Heiligelo (Heilig woud) heette. De Vlaamse gemeente Eeklo (Eik en Lo) verwijst zelfs duidelijk naar zo'n heilig eikenbos. Volgens de Romeinse auteur Plinius betekende druïde overigens 'Zij die kennis hebben van de eik'. Een andere verklaring luidt dat het woord druïde afkomstig is van het Keltische derw (eik) en ydd (deel van), wat in combinatie derwydd geeft. Robert Graves insinueert in The White Goddess dat de druïden de maretak uit de eik sneden om de boom zo, op midzomer, symbolisch te castreren.
Midzomer is het ogenblik waarop de Eikkoning de strijd met de Hulstkoning verliest. Deze overwinning zou volgens sir James Frazer in The Golden Bough ook gesymboliseerd worden door het branden van eikenhout in de midzomervuren. Ook op midwinter brandde in het Yulevuur een blok eikenhout. De asse van deze stronk werd in het voorjaar over de akkers gestrooid om ze van de levenskracht van de eik te voorzien. Het Yuleblok leeft overigens nog voort in de kerststronk uit roomijs die als dessert na de kerstmaaltijd wordt gegeten.
Dat de eik ook met de Germaanse God Wodan verbonden was, is te merken aan de verschillende Wodanseiken die nog tot op de dag van vandaag bestaan. De bekendste in onze streken zijn wellicht de duizendjarige Wodanseiken in het Nederlandse Wolfheze.
Eikels werden beschouwd als krachtige magische talismans, ondermeer om de vruchtbaarheid en levenskracht te bevorderen. De eik werd ook als koortsboom gebruikt. Een stukje stof, vaak een kousenband, gedragen door een zieke, werd aan de takken van zulk'n boom gehangen. De boom zou dan de ziekte wegnemen. Zo'n lapjeseik is nu nog te zien in het Gelderse Overasselt. Het binden moest gebeuren tijdens het uitspreken van een spreuk, zoals dit rijmpje uit het Nederlandse Overijssel:
ik hebbe ze noe, ik geve ze oe,
ik bind ze hier neer,
ik krieg ze niet meer
Men stopte zulke stukjes stof, die een wonde hadden bedekt, ook in een holte in de stam van een eik om de wonde te doen genezen.
De Hulstkoning is de tweelingbroer van de Eikkoning, heer van de afnemende zon, die regeert van midzomer tot midwinter. Hij staat voor de afbrekende krachten in de natuur. De Hulstkoning vertegenwoordigt ook de overlevingskracht van de natuur in de duistere periode van de winter. Hulstbladeren zijn taai en hard en blijven altijd groen. Alhoewel de Hulstkoning destructieve krachten symboliseert, is hij geen symbool van het kwade, integendeel. De Hulstkoning biedt de natuur haar noodzakelijke rust en garandeert -- omdat zijn bladeren groen blijven -- dat ondanks het duister en de bittere koude, het leven nog voortsluimert in het binnenste van de aarde.
In het veertiende-eeuwse gedicht Sir Gawain and the Green Knight, duikt de Hulstkoning op als een groene ridder die op het kerstbanket van Koning Arthur de aanwezige ridders uitdaagt om hem te onthoofden, op voorwaarde dat hij de winnaar een jaar later mag onthoofden, een verwijzing naar de wissel van de wacht tussen de Hulst- en de Eikkoning. Het thema van de groene ridder verwijst ook naar het goddelijke karakter van het personage, dat overal in Europa voorkomt als de Groene Man.
In de christelijke symboliek werd de Hulstkoning als destructieve kracht in een negatief daglicht geplaatst. In West-Europa werd de doornenkroon van Christus soms ook vervangen door een kroon van hulstbladeren, die het lijden moesten symboliseren. De rode bessen verwezen naar het bloed van Christus. Men geloofde ook dat de duivel kon opgeroepen worden met een staf van hulst. Het hout werd ook gebruikt om wichelroedes van te maken.
Ondanks alles bleef de hulst doorleven als een symbool van hoop. Woningen worden rond de kerstperiode nu nog versierd met hulst, een gebruik dat de Romeinen al toepasten tijdens de Saturnalia, de feesten tijdens de week voor midwinter. Het volksgeloof wilde dat een hulst, geplant in de omgeving van de woning, de bewoners zou beschermen tegen bliksem en toverij. Heksen zouden ook gebruik maken van de rode bessen, die op de vrouwelijke planten voorkomen, om onweer te brouwen. Een infuus van de bladeren kon op pasgeborenen gesprenkeld worden als bescherming tegen onheil of gedronken worden tegen koorts en reuma.
Er zijn duidelijk aanwijzingen om de Hulstkoning oorspronkelijk als een koningin of een godin te zien. Alle bomen met rode bessen werden immers als godinnenbomen beschouwd. Het woord hulst zou z'n wortels vinden in de naam van de Germaanse Godin Hel - die we terugvinden in de naam van de Nederlandse gemeente Helsberg - of Vrouw Holle, die op haar beurt teruggaat op de Indo-europese stam kel, wat bedekken en prikken betekent. Deze laatste betekenis zou het Engelse woord holly hebben doen ontstaan. De symbolische strijd tussen de Eikkoning en de Hulstkoningin zou dan de strijd tussen donker (aarde, vrouwelijk) en licht (vuur, mannelijk) aanduiden. Tijdens de heerschappij van de Hulstkoningin trekken de levenskrachten zich dan terug in het diepste duister van de aarde, zoals de planten dit doen tijdens de herfst en winter. Het is overigens in die periode dat de God afwezig is op aarde. Hij verblijft immers in de onderwereld vanaf Samhain (1 november) en wordt opnieuw geboren met Beltain (1 mei) de twee sabbats die traditioneel de aanvang van de winter en de zomer vieren.
De komst van de Eikkoning met Yule wordt ons vandaag nog aangekondigd met Sinterklaas, een moderne versie van de Eikkoning, en de opvolger van de Germaanse God Wodan die op zijn schimmel door de lucht raasde. Sinterklaas en Wodan vertonen opvallende gelijkenissen. Beiden zijn het oude mannen met lang grijs haar en een grijze baard, wat verwijst naar de Tijd. Ze dragen beiden een grote rode mantel, een hoed en een speer of staf en rijden op een wit paard door de lucht. Wodans schimmel heette Sleipnir, het paard dat bij zijn Keltische evenknie Lugh voorkomt onder de naam Aenbar. Wodan droeg ook een indrukwekkende ring, Draupnir, die we ook nu nog aan de vinger van Sinterklaas zien. Ook het dikke boek van Sinterklaas was al in het bezit van Wodan, die in hetzelfde boek het runenschrift bewaarde dat hem onthuld was nadat hij zeven dagen ondersteboven aan een es had gehangen. Wodan was vergezeld van zijn donkere helper Nörwi of Eckhart, die later Zwarte Piet werd. Net zoals de Eikkoning en Wodan met midwinter het nieuwe zonnejaar aankondigden, zo arriveert ook hun opvolger Sinterklaas rond de winterzonnewende.
De oorspronkelijke mythe van Wodan en Nörwi werd gemengd met de christelijke heiligenleer. De christelijke Sint-Nikolaas is bovendien een samensmelting van twee heiligen, een uit Myra in Klein Asië en een uit Pinora, die beiden ook verchristelijkte watergoden waren. Het Vaticaans concilie van 1970 schrapte Sint-Nikolaas van de lijst van heiligen en bevestigde dat Sinterklaas een heidense oorsprong had.
Nikolaas is in werkelijkheid een paganistische God wiens naam herinnert aan het Oud-nederlandse woord nikker of het Oud-engelse nicor, wat watergeest betekende. In het Engels is Nick in de volksmond nog steeds de Duivel. Een nickname, of bijnaam, is dus niet de christelijke naam van iemand, maar de oorspronkelijke paganistische voornaam, die gegeven was door Nick.
De Sinterklaasfiguur duikt in andere streken van Europa op in de vorm van een vrouw. In Italië is Sinterklaas Befana, een vrouw op een bezem die de huizen betreedt via de schoorsteen en offergaven in de vorm van voedsel aanvaardt, net zoals Sinterklaas. In sommige delen van Oostenrijk en Duitsland wordt deze vrouw Budelfrau of Berchtel genoemd.
Zwarte Piet is de donkere kant van Sinterklaas en symboliseert de Hulstkoning. De kleur van Zwarte Piet heeft dus niets met zijn etnische afkomst te maken, maar refereert aan het duistere aspect van de paganistische God. Tony van Renterghem toont in zijn boek When Santa was a shaman aan dat Zwarte Piet verwant is aan de heidense Gehoornde God Herne, of Cernunnos, die ook over de onderwereld regeerde. In delen van Duitsland draagt Zwarte Piet overigens hoorntjes. In Beieren wordt hij Pelz Nickel genoemd, verwijzend naar zijn behaarde lichaam. Nickel staat hier opnieuw voor Niklaas, wat betekent dat Sinterklaas en Zwarte Piet twee verschillende aspecten van dezelfde paganistische God waren. Ook in Tyrol is hij een klein, donker behaard figuur met hoorntjes, die Klaubau wordt genoemd.
Het christendom diaboliseerde Zwarte Piet tot een slaaf van de Goede Sint, die de taak had om kinderen af te schrikken en hen zo te waarschuwen voor de christelijke hel.
Zwarte Piet draagt steeds een roede bij zich, wat vandaag geïnterpreteerd wordt als een instrument van straf. De roede is echter een oud magisch vruchtbaarheidssymbool, gemaakt uit berkentwijgen. Dezelfde roede vinden we terug in de heksenbezem. Tot in deze eeuw werd de roede gebruikt om zowel kinderen, vrouwen als koeien ritueel te slaan, om zo de levenssappen van de berk over te dragen. De roede en de bezem zijn dus fallische vruchtbaarheidssymbolen, en geen foltertuigen voor kleine kindjes, zoals het christendom ons heeft doen geloven.
Alle teksten uit ABRACADABRA - lexicon van de moderne hekserij: © Jan de Zutter
