Beltain
Beltain of Beltane (1 mei) is een van de vier grote sabbats in de Wicca, en samen met Samhain (1 november) wellicht de belangrijkste sabbat die heksen vieren. Beltain en Samhain zijn twee tegenpolen in de cyclus van het jaar, leven en dood. In de Alexandrijnse hekserij wordt de zonnegod met Beltain geboren, met Samhain is hij definitief in de onderwereld aangekomen.
In Duitsland wordt Beltain Walpurgisnacht genoemd, in de Verenigde Staten May Day. Tegenwoordig wordt op 1 mei het feest van de arbeid of het feest van Sint-Jozef de arbeider gevierd, betekenissen die pas een eeuw oud zijn.
De periode van Beltain stond zowel bij de Kelten als de Germanen bekend als het begin van de zomer. De naam van de sabbat is afgeleid van het Ierse Gaelic Bealtaine of het Schotse Gaelic Bealtuinn, wat de Vuren van Bel betekent. Bel (Bil, Bial) is mogelijk een Keltische God van het licht. Andere auteurs menen dat het om de continentale god Belenos gaat, die populair was in gebieden in het huidige Oostenrijk, Italië en Frankrijk. Zijn naam zou ook in België verborgen kunnen zitten. Nog andere auteurs beweren dat Bel een verbastering is van Baal, die in het Oude Testament voorkomt.
De eerste vermelding van Beltain komt voor in de Sanas Chormaic een vroeg middeleeuwse woordenlijst, toegeschreven aan Cormac of Cashel, die rond het jaar 900 leefde. Volgens deze geschriften ontstoken de druïden op Beltain twee vuren, waar het vee doorheen gedreven werd. Er lijken dus voldoende aanwijzingen te bestaan om aan te nemen dat op de vooravond van mei een vuurritueel werd uitgevoerd om het vee te beschermen. Mogelijk verving de naam Beltain de oudere Ierse naam Cetsomain.
Wel is uit onderzoek gebleken dat tot in de vorige eeuw op de vooravond van 1 mei in heel Europa op de heuvels vuren ontstoken werden. Het vee werd door de asse of tussen twee van dergelijke vuren gedreven om het te beschermen tegen allerlei kwalen vooraleer het naar de zomerweiden vertrok. Stukken verkoold hout uit de vuren werden mee naar huis genomen om de woning te beschermen tegen onweer. Als er onweer dreigde, werden de stukken hout op de haard gelegd.
Jonge mensen sprongen over de vuren van Bel om zich van een toekomstige bruid of bruidegom te verzekeren, reizigers verzochten zo om een veilige reis, zwangere vrouwen om een goede bevalling. In Brabant en Limburg liepen de mannen met fakkels door de boomgaarden om de bomen tot leven te wekken. Tijdens hun rondgang herhaalden ze de spreuk:
Zo menge vonk, zo menge appel
Soms werd er met stukken hout op de stammen geslagen, op bijenkorven geklopt of met ratels rondgelopen, om de planten uit hun winterslaap te wekken.
In de dorpen werden er meipalen of meibomen opgericht, die vaak versierd werden met linten. Op het dorpsplein of een meiveld werden er door de jongelingen cirkeldansen uitgevoerd rond de meipalen. Het dansen is in oorsprong een magische handeling, vaak een extatisch onderdeel van een religieuze ceremonie. Bij de meidansen is het niet anders. De opwinding tijdens deze dansen bevorderde de vruchtbaarheid van de gemeenschap.
Tijdens het dansen werd ook de slapende natuur gewekt, door de stampende voeten en de belletjes die de dansers om de benen gebonden hadden. Dergelijke vruchtbaarheidsdansen werden eveneens uitgevoerd, gezeten op een bezem of een stokpaardje of met zwaarden in de hand. In het Engelse Staffordshire wordt er met Beltain een dans opgevoerd door gehoornde dansers. Ook hier weer is de fallische symboliek duidelijk. Het springen leek soms op de dans van de kraanvogel. Daarom werd de dans soms ook de kraanvogeldans genoemd. Een oud volkslied uit onze streken verwijst wellicht naar dergelijke kraanvogeldansen:
wie gaat er mee naar Engel-land varen?
Engel-land is gesloten, de sleutel is gebroken,
is er dan geen smid in 't land
die de sleutel maken kan?
Laat doren, laat doren,
Van achteren en van voren.
Engel-land staat hier voor het land van de natuurgeesten, de engelen en feeën, die opgesloten zitten en voor de zomer bevrijd moeten worden.
Vanaf het midden van de zeventiende eeuw werden jongemannen tijdens de meifeesten in bladeren of in stro gewikkeld, en versierd met bloemen. Soms kregen ze hoedjes van berkenbladeren op. Deze Groene mannen of Wildemannen duiken in Vlaanderen bijvoorbeeld op in Rutten tijdens het Sint-Evermarusspel op 1 mei.
In de vrouwelijke vorm waren het de Meikoninginnen of Pinksterblommen die in processie door de dorpen werden geleid. Deze traditie is veel ouder dan die van de Groene mannen. De Meikoningin, het mooiste meisje van het dorp, werd tijdens de meidansen gekozen. Zij werd gekroond en versierd met bloemenkransen en in haar ene hand kreeg ze een zilveren fluitje, in haar andere een zilveren kommetje. Deze objecten zijn eveneens seksueel geladen symbolen, die het mannelijke en het vrouwelijke voorstellen.
De seksuele geladenheid van de meivieringen werkte de Britse puriteinen sterk op de zenuwen. In 1644 slaagden ze er zelfs in om meipalen illegaal te maken. Ook de zogenaamde greenwood marriages, de vrijpartijen 's avonds in het bos, waren reden tot christelijke bezorgdheid. De boze puritein Christopher Fetherston schreef dat de mannen "gewoonlijk 's nachts in de bossen renden, tussen de meisjes, om hen te strikken, zelfs in die mate dat ik gehoord heb van tien maagden die de mei gingen vieren, en negen van hen keerden naar huis met een kind." Een andere puritein, Philip Stubbes liet een gelijkaardige klaagbede horen, maar hij sprak van "veertig, zestig of honderd meisjes", waarvan "geen derde nog rein naar huis terugkeerde".
De jongelingen die de Beltain-nacht buiten doorbrachten, plukten ook bloeiende twijgen die ze aan het venster of de deur van hun geliefde bevestigden om hun intenties te verduidelijken. Uit het Antwerps Liedboek uit 1544 blijkt dat het meisje snel reageert als haar geliefde met de mei-twijg arriveert (een fragment):
Voor mijn liefs veynsterkijn
Ende scencken mijn lief trouwe,
Die alder liefste mijn.
Ende segghen: lief, wilt comen
Voor u cleyn vensterken staen.
Ontfaet den mey met bloemen,
Hi is so schoone ghedaen.
Tmeysken si was beraden,
Si liet haer lief in,
Heymelic al stille,
in een cleyn camerken.
Daer lagen si twee verborghen,
Een corte wijle ende niet lanc.
Die wachter opter mueren
Hief op een liet, hi sanck:
Och, iser yemant inne,
Die schaf hem bale van daen.
Ic sie den dach op dringhen,
Al in dat oosten op gaen.
Nu schaft u balde van henen
tot op een ander tijt.
Den tijt sal noch wel keeren,
Dat ghi sult zijn verblijt.
Dirk Rafaëlszoon Campenhusen (1586-1627) waarschuwt ons in zijn Stichtelycke rymen voor de meimaand:
En vol van sotten lust,
Hem selfs en and'ren in de weeg,
Vermoord sijn eygen rust...
Niet alleen konden meisjes met Beltain een minnaar vinden, ze konden zich ook verzekeren van een schoon gelaat door zich te baden in de dauw tijdens het uitspreken van volgende spreuk.
mooi meisje, was uw aangezicht.
Wie 't doet en weer doet, telkens weer,
verliest haar schoonheid nimmer meer.
In sommige streken ging men dauwtrappen of zich naakt in de dauw wentelen.
De Beltainvieringen -en later de paasvieringen- startten in de meeste streken in Europa rond 23 april (27 april), de feestdag van Sint-Joris. Volgens de hagiografie overwon Sint-Joris de draak Silene, wellicht een variant op de maangodin Selene en mogelijk een verwijzing naar de overwinning van het christendom op de heidense godinnencultussen. De draakthematiek komt ook voor in de mythe van Apollo als slangenbedwinger of de Siegfried-sage.
De draak staat symbool voor de winter die overwonnen wordt door de zomer, de jonge god van het vuur. In sprookjes bewaakt de draak vaak een jonkvrouw, de zonnemaagd, die bevrijd wordt door de jonge god. De zonnemaagd is dezelfde figuur als de meikoningin, de Pinksterbruid. In de katholieke kerk is dat thema overgenomen door de maand mei aan Maria te wijden.
De draak die tijdens de Beltainsabbat in de Greencraftwicca optreedt, wil de 'jonkvrouw', de Godin die met Beltain de nieuwe zonnegod baart, voor zich winnen.
De draak is de oude God, die zich het vorige seizoen heeft geofferd met het oogstfeest van Lughnasadh (1 augustus). Hij heeft vanuit de onderwereld de Godin, Moeder Aarde, bevrucht. Hij is jaloers op zijn zoon, die de nieuwe minnaar van de Godin zal worden.
Omdat met Beltain, net zoals met Samhain, de poorten van de Onderwereld op een kier staan, kan de oude God terugkeren, weliswaar in de gedaante van een draak, om de Godin weer op te eisen. De jonge God zal echter zijn moeder verdedigen tegen de draak, die eigenlijk zijn vader is. Op die manier vinden we de klassieke Oedipusthematiek terug in de Beltainsabbat: de jonge God doodt zijn vader en wordt de minnaar van zijn moeder.
De Beltainsabbat begint zoals gebruikelijk met het trekken van de Cirkel, het oproepen van de Wachters van de Vier Windrichtingen, en het wijden van water en zout. Vier priesters of priesteressen declameren dan de antifonale chant van Beltain.
Z: Het is de nacht van Beltain.
O::Wat betekent deze nacht?
W: Het is het feest van de Geboorte.
N: Wie eren wij deze nacht?
S: Allen die in Liefde leven, alle Leven dat geboren wordt op Aarde.
E: Wat brengt ons de Toekomst?
W: Korven vol van honing, kuddes rijk aan lammeren, akkers vol van graan.
N: Waaraan herkennen we elkaar deze nacht?
S: De Maan werpt haar Licht op de bloesems van de Meidoorn, de Zuivere.
E: Wie helpt ons?
W: De Meikoningin helpt ons
N: Wie is de Meikoningin?
S: Zij is Dana, zij is Gaia. Zij is gezeten op een Stier en draagt een kroon van Meidoorn.
E: Wie is haar gemaal?
W: Hij is de duistere Oude, de jonge God, vader en zoon.
N: Waar is onze God?
S: Hij groeit en sterft in alle seizoenen van het rondwentelende jaar.
E: Wie is hij?
W: Hij is Bel, gemaal en zoon.
Na de antifonale chant wordt de Godin door de hogepriester opgeroepen in de hogepriesteres:
Uw schoot gebogen
vol zaad geschonken
dat zwelt en smeult.
Een vonk die wil ontvlammen
Uw poorten opent, Ana,
als Gij baart
en schreeuwend leven geeft
Alleen, Ana
Daal neer en laat ons delen
Keer op keer
De Godin (hogepriesteres) zal dan plaats nemen op een met bloesems versierde troon, nabij het altaar. Naast haar zit een mannelijke heks, die de jonge God voorstelt. Zijn hoofd rust op haar schoot. In het midden van de Cirkel staat een ketel waarin een vuur brandt. Rond de ketel sluipt een in het zwart geklede oudere priester. Hij draagt een drakenmasker. Als hij sneller rond de ketel begint te lopen, slaan de covenleden ritmisch in de handen, eerst zacht, daarna harder. Plots krijgt de draak de Godin in de gaten. Zij schrikt op en rent eveneens rond de ketel, achternagezeten door de draak, die haar probeert te vangen. De Godin vlucht zigzaggend tussen de covenleden door. De draak volgt haar, terwijl de covenleden hem proberen tegen te houden. Uiteindelijk slaagt de draak erin de Godin te vangen.
De Jonge God heeft intussen het schouwspel angstvallig gadegeslagen. Als hij ziet dat de Draak zijn moeder gevangen heeft, grijpt hij een staf van het altaar. Op het moment dat de Draak de Godin tegen zich aandrukt, heft de Jonge God de staf in de lucht en roept:
De jonge God trekt een pentagram in de lucht en de Draak stort neer. Zijn lichaam wordt met een lijkwade bedekt. Twee heksen doven nu het vuur in de ketel en de hogepriesteres zegt:
De covenleden antwoorden: "De nieuwe Heer van het Meivuur, de Groene Man"
De hogepriesteres vraagt: "Wie is de Groene Man?"
En de covenleden antwoorden: "Hij was in U"
De hogepriesteres neemt nu een kaars van het altaar en geeft ze aan de jonge God. De hogepriesteres en de Jonge God reciteren nu de Opdracht van de God:
De hogepriesteres zegt:
De Jonge God zegt:
Ik ben de volle vloed over de vlakte,
Ik ben de wind over de wateren,
Ik ben een heldere traan van de Zon,
Ik ben een havik langs de klippen,
Ik ben het bloeien van de Meidoorn
in de Kroon van mijn Geliefde.
Ik ben de God die het hoofd op hol brengt
en het hart in Vuur en Vlam zet.
De hogepriesteres zegt:
De Jonge God zegt:
Ik heb de macht en volg gedwee
Ik ben de onschuld en vergaar de kennis
Ik bezit het vuur en laat het doven
Ik maak de dag en ontvang de nacht
Ik plant het zaad en oogst het koren
Ik word geboren en geef mijn leven
Ik ben de heer van dood en wedergeboorte.
Ik ben de gave en het offer.
Ik ben mijn vader,
En ik zal mijn zoon zijn, hij zijn vader.
In mij heeft elk begin een einde en elk einde een begin.
Zo is het altijd geweest en zo zal het zijn,
tot aan het eind van alle verlangen.
De Jonge God stapt nu naar de ketel in het midden en ontsteekt de Vuren van Bel. De hogepriesteres neemt de God bij de hand en leidt hem driemaal rond de Ketel. Een van de heksen danst daarna rond de ketel en reciteert een tekst uit het Boek der Schaduwen, die verwijst naar de oude Beltain-gebruiken:
Hij zou het zonde noemen.
We zullen vannacht in het woud vertoeven,
En vrijen en kussen en zoenen.
Verspreid het nieuws nu mond aan mond,
Aan de vrouwen, het vee en het koorn.
De Zon is terug in het Zuiden gekomen,
Voor de vrucht van Eik en Meidoorn.
Alle heksen dansen nu rond de ketel, sneller en sneller. De hogepriesteres roept af en toe de naam van één van de covenleden. Deze breekt dan uit de dansende Cirkel en springt over het vuur. Als iedereen over de Vuren van Bel gesprongen heeft, wordt de cake- en wijnceremonie gestart.
Daarna wordt de Cirkel verbroken en de Wachters van de Vier Windrichtingen bedankt. Maar eerst nemen de heksen afscheid van de God: "Heil de Wassende Zon. Heil de Kracht van de Eik. Heil Bel. Heil en Vaarwel."
En van de Godin: "Heil de Meikoningin, Heil Ana, Godin van de Bloeiende Aarde. Heil en Vaarwel".
Alle teksten uit ABRACADABRA - lexicon van de moderne hekserij: © Jan de Zutter
